Klooster en scholen in de Dominicanenstraat 1897 – 2005

Samenvatting van een lezing van de heer Gérard Knipping, die hij in 1994 voor “De Vrouwenschool”- gevestigd in het voormalig klooster – heeft gegeven

zusters

Beginperiode

In 1884 werd er – buiten de omwalling van Nijmegen – aan het Mariaplein een katholieke kerk gebouwd, de Maria Geboorte kerk. Naast de kerk moesten er scholen komen voor katholiek onderwijs.
In 1897 begonnen de zusters Dominicanessen in een paar klaslokalen met het lager onderwijs voor de kinderen uit de omgeving van de Dominicanenstraat. De grond was gekocht van de familie Rothaan.Voorlopig sliepen de zusters op de zolder van de school, maar in 1904 wordt naast de school een klooster gebouwd. Kloosters hebben altijd een heilige naar wie het huis genoemd wordt. De zusters kozen voor Vincentius Ferrerius, het beeld hangt aan de voorgevel van het klooster. Vincentius, geboren in Valencia, (± 1350 – 1419) was bekend vanwege de prediking aan heidenen, Moren en Joden in Spanje en Frankrijk. Vincentius moest dus een voorbeeld zijn om in elke omstandigheid de katholieke beginselen uit te dragen.
Naasthet geven van onderwijs helpen de zusters ook mee in de Maria Geboortekerk. Ze poetsen de kerk en ze leveren een kosteres. Volgens de parochiekroniek zorgen de zusters ook voor het ontbijt van de priester: twee gesmeerde boterhammen en een glas melk. In 1901 werd er aan 500 kinderen onderwijs gegeven; er was een school voor kinderen van middenstanders en een armenschool. De arme kinderen haalden veel kattenkwaad uit. In de parochiekroniek staat over hen geschreven: “De zusters hebben de armeluiskinderen heel wat moeten bijbrengen eer zij de voortuinen van de huizen met rust lieten, de mooiste bloemen lieten staan en de waterkranen niet opendraaiden.
Rond 1930 zijn de bouwwerkzaamheden afgerond: Er is een kleuterschool met daaraan verbonden een opleiding voor kleuterleidsters, een lagere school en een ULO (Uitgebreid Lager Onderwijs). De ULO veranderde in 1968 in een MAVO. (Meer Algemeen Vormend Onderwijs) In 1963 werd Gérard Knipping benoemd als docent aan de ULO. Tot dan toe werd al het onderwijs gegeven door de zusters. Gérard kende de zusters wel. Hij was als 8 jarige misdienaar geweest in het klooster. Elke ochtend om 7 uur las een pater van de parochiekerk in de kloosterkapel de mis voor de zusters. In die tijd mochten er geen mannen in het vrouwenklooster komen, op de deuren stond het bordje “slot”. Voor de priester en zijn misdienaar werd een uitzondering gemaakt.

De tweede wereldoorlog

In de tweede wereldoorlog logeerden 82 studenten van het Dominicuscollege op de zolder van de “fröbelschool” (kleuterschool). Hun kostschool in Neerbosch aan de Dennenstraat was in 1942 door de Duitsers in beslag genomen.
In februari 1944 kwam het bevel dat klooster en scholen ontruimd moesten worden voor de huisvesting van Duitse troepen.
Na september 1944, toen Nijmegen bevrijd was, werd de lagere school gebruikt voor de opvang voor Duitse krijgsgevangenen. In oktober 1944 namen de Canadezen de gebouwen in beslag, voor hun eigen huisvesting.
In mei 1945 lieten ze de gebouwen totaal uitgewoond achter. Een buurtcomité heeft alles weer opgeknapt en in december 1945 kwamen de zusters terug, maar pas rond 1950 glimmen de gangen van de scholen en het klooster weer als vanouds.
Afronding
In 1965 werd de kleuterschool gesloten wegens gebrek aan leerlingen, de lokalen werden in gebruik genomen door de ULO, die toen alleen voor meisjes toegankelijk was. In 1983 werd de kleuterschool gesloopt en op die plek staan de huizen en appartementen van de Rothaanstraat.
In 1972 fuseert de jongensschool van de Prins Hendrikstraat 7 met de meisjesschool van de Domincanenstraat en worden de klassen gemengd. Daarna komt er nieuwbouw en wordt de school voortgezet in “De Rode Buut” aan de Hugo de Grootstraat en “De Blauwe Buut” aan de Molukkenstraat.
De MAVO wordt ondergebracht bij het Canisiuscollege. Het schoolgebouw wordt in 1990 gesloopt en maakt plaats voor woningbouw. De laatste 12 zusters vertrekken in oktober 1983 uit het klooster en uit Nijmegen; ze hebben er 90 jaar gewoond, in de bloeitijd met 45 zusters.
Het klooster wordt verbouwd tot HAT-eenheden. De kapel, de eetzaal en andere ruimtes worden overgedragen aan “De Vrouwenschool”. De zusters Dominicanessen zijn hierover zeer tevreden, hun streven naar de emancipatie van de vrouw wordt hier op eigentijdse wijze voortgezet.
Dit is de samenvatting van de 12 getypte blz. van Gérard Knipping

Informatie over “De Vrouwenschool” (van de website)

De Vrouwenschool is een Nijmeegs woon-werkpand voor vrouwen. De Vrouwenschool verhuurt zowel woonruimte als – betaalbare – werkruimte. De Vrouwenschool biedt vrouwen de gelegenheid om samen met andere vrouwen te wonen en te werken, om zich zo persoonlijk, artistiek en zakelijk verder te ontwikkelen.

De ruimtes

De Vrouwenschool heeft negentien woonruimtes en tien werkruimtes.
Daarnaast is er een gezamenlijke ruimte:

De Kapel

Deze wordt gebruikt voor de eigen activiteiten, en tevens verhuurd aan derden voor eenmalige evenementen, feesten, lezingen, cursussen en tentoonstellingen. Tijdens de Vierdaagse doet de kapel dienst als hotel.

De Vrouwenschool is een zeer actieve vereniging.

Zij organiseert rommelmarkten, houdt open filmavonden, runt het Kapelhotel tijdens de Vierdaagse en houdt regelmatig feesten. Zo werden in 2004 het lentekriebelfeest, het euroshopperfeest en het nieuwjaarsfeest georganiseerd. De Vrouwenschool heeft een aantal malen samengewerkt met andere Nijmeegse instellingen, zoals het wijkcomité. De wens is om dit in de toekomst vaker te gaan doen (Vrouwenfeest Ragazze, Femcafé).
Met deze activiteiten haalt De Vrouwenschool geld binnen wat in het onderhoud van het pand en de tuin gestoken wordt (de vereniging heeft geen winstoogmerk). Een deel van het geld wordt besteed aan goede doelen.
De Vrouwenschool organiseert ook activiteiten voor de bewoners en gebruikers zelf. Zo is er de jaarlijkse zomer-barbecue en een jaarlijks diner-roulez. In november 2009 werd er een visiedag opgezet; de leden gingen hierbij onder leiding van een coach brainstormen over identiteit en toekomst van de school.
Alle activiteiten worden door de bewoners zelf georganiseerd. Dit betekent dat er van hen een bepaalde inspanning gevraagd wordt. Potentieel geïnteresseerde bewoners moeten het concept van de Vrouwenschool onderschrijven.

16 april 2010
Anton van der Meer


 

Euro Center – voorheen schoenenfabriek Nimco

Op de Tooropstraat 16-24 laten fleurige afbeeldingen zien wat er binnen zoal te koop is. Hier is de supermarkt Coop gevestigd en daarnaast de schoenenzaak Livit Orthopedie.

Eurocenter

Aan de binnenkant is weinig te zien van de rijke geschiedenis van het gebouw. Buiten verwijst een koepeltje op de hoek met de Jozef Israëlsstraat naar andere tijden. Er is een schoorsteen te zien met een naambord COOP, vroeger hing daareen bord Nimco, als aanduiding van de schoenenfabriek “ Nimweegse Combinatie” aldaar.

In 1916 werd aan de Tooropstraat, die toen nog Fortweg heette,de hiervoor genoemde fabriek Nimco gebouwd. De straatnaam verwees naar het Fort “De Verbrande Molen” aan het eind van de straat. In 1923 veranderde de gemeente de naam van de straat in Tooropstraat.Deze fabriek werd in 1920 overgenomen door N.V. J. Verschuur & Co., Electrische schoenfabriek (Kinderwerk). Kinderwerk wil zeggen kinderschoenen. Het bedrijf was eerst gevestigd in de Gorisstraat, maar werd te klein voor de 25 personeelsleden, die 1000 paar schoenen per week maakten. Ook de nieuwe fabriek bleek al gauw te klein: in 1924 steeg de productie naar 7000 schoenen per week. Er kwamen bijgebouwen, kantoren, magazijnen en de nieuwste machines werden aangeschaft. De schoenen werden verkocht onder het merk Nimco Het was een gouden formule. Op het hoogtepunt waren er 250 werknemers.

In de jaren zestig begon de neergang, zoals bij veel bedrijven die onvoldoende in staat bleken om zich aan te passen aan de snel veranderende maatschappij op dat moment, onder andere door : stijgende loonkosten, automatisering. Om dit tij te keren werd in 1969 direct vanuit de fabriek schoenen aan particulieren verkocht. Even was het heel druk, omdat de schoenen voor de helft van de winkelprijs werden verkocht.Maar het mocht niet baten: Op 1 april 1970 sloot de fabriek zijn deuren.

Winkelcentrum 1976

De fabriek werd omgebouwd tot een winkelcentrum. Het Nijmeegse architectenbureau Veugelers maakte hiervoor de plannen. Op een foto uit 1976 staat op de gevel te lezen wat hier te koop is: Konfektie, speelgoed, huishoudelijke art., schoenen en lederwaren,levensmiddelen.

In 2008 is de laatste verbouwing gerealiseerd: de supermarkt werd een Coop. De schoenenwinkel ging verder door onder de naam Livit. Op de plek van de bouwmarkt Hubo kwam het magazijn van Livit en een kleine slijterij van de Coop.

Tekst: Anton van der Meer, met dank aan Numaga, Nijmeegs Katern december 1999 en de websiteNoviomagus voor de foto uit 1976


Noodwoningen op de Kopse Hof

Wie vanaf de Ubbergseveldweg het open gebied van de Kopse Hof opgaat, ziet links in het veld voor de basisschool de Klokkenberg enkele asfaltwegen lopen. Zij zijn de enige tastbare herinnering aan het voormalig complex noodwoningen dat daar tussen 1946 en 1967 heeft gestaan. Over deze noodwoningen gaat dit artikel.

De schade die Nijmegen door het bombardement van 22 februari 1944 en daarna als frontstad opliep, was enorm. Van de nog geen 20.000 woningen die de stad telde, waren meer dan 4000 woningen verwoest of zwaar beschadigd. Vele duizenden gezinnen hadden zodoende geen huis meer. Om hen te hulp te schieten vorderde de gemeente vanaf maart 1944 woonruimte. Eerst leegkomende huurwoningen. Toen dat te weinig soelaas bood werden oudere alleenstaanden, meestal weduwen of weduwnaars, verplicht bij hun kinderen in te trekken. Maar een oplossing boden deze maatregelen niet, te meer omdat veel pas getrouwde of verloofde stellen naar zelfstandige woonruimte smachtten. Er was eenvoudig te weinig woonruimte, wat naargeestige toestanden opleverde, zoals het jong gezin A. met twee peuters dat op een onverwarmd kamertje bij opa en oma aan de Esdoornstraat inwoonde. Gezin B. woonde een jaar na de bevrijding nog steeds in een door de Duitsers gebouwde bunker op de Sint Annastichting die in de bevrijdingsdagen als schuilkelder had dienst gedaan. Gezin C. was ingetrokken bij de moeder van de echtgenoot aan de Sweelinckstraat. In dat huisje leefden maar liefst vijftien personen als haringen in een ton.

semi-permanent

Noodwoningen op de Kopse Hof

Deze mensen hadden geluk, want in de lente van 1946 mochten zij een net opgeleverde noodwoning op de Kopse Hof betrekken. Om de woningnood te verlichten had de gemeente Nijmegen haar toevlucht genomen tot een na de oorlog veel beproefd middel, de semi-permanente bouw. Gemeenten, maar ook ziekenhuizen en scholen zetten barakken, vaak van Zweedse makelij, neer. Bedoeld voor een korte periode bleven ze vaak decennia in gebruik.

Ook de gemeente Nijmegen liet verspreid over de stad honderden noodwoningen bouwen. Grote complexen lagen aan de Driehuizerweg (204 woningen), Hatertseweg (68), Muntweg (48) en op de Kopse Hof (100). De huisjes lagen aan de Ubbergseveldweg en aan vier nieuwe straatjes die vanwege het vroegere legerkamp naar figuren uit de Romeinse tijd werden genoemd. Het waren van west naar oost de Cerialisstraat, de Claudius Civilisstraat (de bewoners hadden het over de Claudius op Wieletjesstraat), de Trajanusstraat en de Drususstraat (in de wandeling Drusenstraat geheten). De straatjes waren aan beiden zijden bebouwd, behalve de Drususstraat, waar de bewoners vrij uitzicht hadden.

de Kopse Hof De eerste noodwoningen waren in mei, de laatste in augustus 1946 klaar. Het wijkje was eigendom van de gemeente, maar de woningbouwvereniging De Gezonde Woning die in de naburige wijk het Rode Dorp bezat, ging het exploiteren. De noodwoningen behoorden niet tot het Zweedse of een ander type dat zijn bestaansrecht had bewezen, maar waren vermoedelijk omwille van de kosten van een eigen gemeentelijk ontwerp. Ze werden in twee weken neergezet, maar de kwaliteit was ernaar. Het was er vochtig, de deuren sloten slecht en de lichtschakelaars waren ‘zeer primitief aangebracht’. Sanitair en hang- en sluitwerk waren van inferieur materiaal. De zinken kranen waren binnen een half jaar al zo aangetast ‘dat ze bij de eerste aanraking zouden afbreken’. Daarom werden ze vervangen door koperen exemplaren, want anders was ‘de ellende in de winter niet te overzien’ geweest.

Heel tevreden

Toch hadden de woningen veel pluspunten. Mevrouw S. die rond 1950 in de Drususstraat woonde, vond het ‘prachtige jaren’. Ze beschrijft haar één verdieping hoge huis als volgt. De voordeur had geen bel, maar een klopper. Je kwam dan via een piepklein halletje in een behoorlijke huiskamer van vier bij vier meter, waarop drie slaapkamers uitkwamen. Verder had het huis een keuken en een bijkeuken met daarachter een kolenhok. Voor en achter een tuin. En, in tegenstelling tot de andere noodwoningcomplexen, waren de huizen een schuurtje rijk.

Mevrouw S. was er ‘heel tevreden’ over. ‘Mijn man die schilder was, had het mooi wit geverfd. Als we dan van de Sint Maartenskliniek aan kwamen wandelen, schitterde het in de zon. De andere huizen waren grijsachtig, al was die kleur ook als wit bedoeld’. Ook voor de kinderen vond ze de omgeving ideaal, omdat er zoveel speelgelegenheid was.

Het was er overigens niet ongevaarlijk, want overal lag nog munitie van het geschut dat tijdens de oorlog op de Kopse Hof had gestaan. Gelegenheid genoeg voor riskante spelletjes. Jongens maakten oude granaten onschadelijk, bliezen ‘lege benzineblikken, waarin altijd gas achterbleef’, op of legden een kruitspoor om iets in de brand te steken. Een nu 62-jarige man vertelt: ‘Ik vond op de Ubbergseveldweg kisten met mitrailleurkogels. Om de tien zaten lichtspoorkogels, die we met de katapult afschoten.’

Palmpasen op de Kopse Hof

Gemengde bevolking

De noodwoningen waren in principe bestemd voor huishoudens die geen alternatief hadden. Ze woonden in, kwamen van buiten de stad of hadden hun woning verloren. Op de Kopse Hof sprongen drie categorieën eruit. De oorspronkelijke groep bewoners bevatte gezinnen die in de oorlog hun huis waren kwijtgeraakt. In 1948 arriveerden voormalige NSB’-ers en oostfrontstrijders, die een paar jaar gevangen gezeten hadden. Vanaf 1957 werd de wijk ingezet om bewoners van de Benedenstad op te vangen die door krotopruiming moesten vertrekken.

Aanvankelijk was de bevolking in sociaal opzicht gemengd. Bij mevrouw S. in de straat woonden een timmerman, iemand die op kantoor werkte, een tuinman van de gemeente en een dokter. ‘Er woonden geen arme mensen en alleman werkte.’ Toch gold dit niet voor iedereen. Het gezin M. (vrouw, man en zes kinderen) dat uit Nederlands Indië was gerepatrieerd, had alles verloren. De heer M. verzocht de gemeente om vier eenpersoonsbedden en voegde er aan toe dat hij ‘van andere zijde reeds matrassen ontvangen’ had. Ook onder degenen die fout waren geweest in de oorlog zaten gegoede families. Zij slaagden er binnen een paar jaar in betere woonruimte te vinden, maar anderen waren minder gelukkig. Zoals het gezin S. met vier kinderen dat in de Cerialisstraat woonde. De vrouw was zenuwpatiënt en de man was chauffeur van beroep, maar door ‘de partijkwestie’ had hij in 1957 nog steeds geen vast werk en evenmin een beter huis.

Schoenmaker W., twee huizen verder, had in Westerbork gezeten (‘politiek!’). ‘De vrouw heeft alles opgebouwd.’ De heer L. woonde als kind op de Ubbergseveldweg naast de tuchtschool. ‘Omdat de muur achter ons huis niet zo hoog was, ontsnapte daar wel eens iemand. Ik heb meegemaakt dat zo’n jongen onder het avondeten door de achterdeur binnenkwam en voor weer naar buiten rende. Onderaan de heuvel werd hij opgepakt, want er was natuurlijk meteen alarm geslagen.’

Overloop Benedenstad

Deze typeringen komen uit uiterst beknopte rapporten die de Woningvereniging Nijmegen (WVN) in 1957 van 34 gezinnen maakte. De reden was dat de WVN dat jaar het beheer over de Kopse Hof van De Gezonde Woning overnam. WVN, destijds verreweg de grootste woningcorporatie van de stad, vervulde de functie die elders aan gemeentelijke woningbedrijven toeviel. Zo had ze de plicht moeilijk plaatsbare huishoudens op te vangen. WVN beheerde zodoende ook de complexen noodwoningen in de stad, met uitzondering van de Kopse Hof. Het gemeentelijk krotopruimingsbeleid bracht hier in 1957 verandering.

Om de al jaren durende sloop van (vervallen woningen) in de Benedenstad te versnellen, besloot het gemeentebestuur om alternatieve huisvesting op de Kopse Hof te creëren. De zittende bewoners moesten daartoe plaats maken. Op dit punt kwam de WVN in beeld. In tegenstelling tot De Gezonde Woning die slechts een paar wijken in Nijmegen-Oost beheerde, beschikte WVN over een omvangrijk en gevarieerd woningbezit. Hiernaar konden de in aanmerking komende Kopse Hoffers doorstromen.

Personeel van WVN maakte de selectie. Twee derde viel blijkbaar ‘a prima vista’ af. De overigen werden aan een nader onderzoek onderworpen. Samenstellingvan het huishouden, beroep van de kostwinner en eventueel meewerkende kinderen vormden de basisgegevens. Dan volgden de indruk die het gezin gaf, de wijze van bewoning en tot slot het advies. Enkele voorbeelden.

  • Gezin R. man bedrijfsleider, verdient ƒ 190,- per week; 3 jongens en 1 meisje, dat ƒ 140 per week verdient; keurige indruk en goede bewoning, geschikt voor nieuwbouw.
  • Gezin V. sinds 1946 Kopse Hof, geen beroep, want ‘man heeft vrouw vorig jaar verlaten’; 6 kinderen; matige indruk; slechte bewoning; ongeschikt voor nieuwbouw.
  • Gezin S. sinds 1947 Kopse Hof; 8 kinderen van 22, tot 1 jaar; man werkt bij Robinson; hij + werkende kinderen verdienen samen ƒ 140,- per week, goed arbeidersgezin; bewoning matig; niet geschikt voor nieuwbouw.

probleemgezinnen

Het vertrek van deze geselecteerden betekende in sociaal opzicht een verschraling voor de wijk. Degenen die niet ‘goed’ genoeg waren om naar een ‘permanente wijk’ te verhuizen, bleven achter, terwijl ook de nieuwkomers als zwak sociaal werden bestempeld. De beste indicatie hiervoor is het feit dat de paters Kapucijnen in 1952 aan het Wilgplein een Don Boscohuis voor de Kopse Hof oprichtten. Deze clubhuizen – Nijmegen telde er acht, waaronder vier bij buurten met noodwoningen – waren bedoeld voor jongens en meisjes uit achterstandswijken.

Mevrouw Van Megen die tussen 1956 en 1961 als beroepskracht in het Don Boscohuis werkte, schetst een overeenkomstig beeld. De meeste gezinnen waren groot: minstens vier of vijf kinderen, maar elf kwam ook voor. Het gros van de mannen werkte in ‘eenvoudige beroepen’ als los arbeider of grondwerker, anderen haalde lompen of oud ijzer op, deden sloopwerk of werkten zwart in Duitsland. Er bestond voor die tijd veel werkeloosheid. Volgens haar hadden de mannen weinig kans op de arbeidsmarkt. ‘Omdat veel werkgevers alleen al voor de naam Kopse Hof terugschrokken, moest ik als maatschappelijk werkster veel moeite doen om hen ergens te plaatsen. In Nijmegen waren toen nog veel kleine bedrijven, zoals schoen- en lampenfabrieken. Om iemand een baan te bezorgen zei ik dan tegen een directeur: “Doe het dan niet voor hen, maar voor mij. Probeer het eens!”

Er was dan ook veel armoede. Enkele gezinnen hadden het zo krap dat hun kinderen op blote voeten liepen. Sommige kinderen hadden het nooit zo goed als op kamp – georganiseerd door het clubhuis – , vertelde een vroegere bewoner: ‘We konden zoveel eten als we wilden en er was altijd iets op de boterham’. Mevrouw Van Megen bemiddelde niet alleen bij de werkgevers, maar ook bij de sociale dienst of de kinderbescherming. ‘Als er ruzies waren, liet ik de mensen naar het clubhuis komen zodat ze het konden uitpraten. [ ] Wanneer kinderen werden uitgezonden naar een vakantiekolonie, dan zorgde ik ervoor dat ze wat geld hadden en voldoende kleren. Ook hielp ik mensen met hoge schulden te budgetteren ect’.

Wijkleidster mevrouw Van Megen was zowel maatschappelijk werkster, crècheleidster als opbouwwerkster avant la lettre. Een anekdote die ze vertelde geeft een indruk van het laatste. Omdat ze weken van tachtig tot honderd uur maakte en altijd voor hen klaar stond, gaf dat veel bewoners een veilig gevoel.

‘Toen ik een keer door de straatjes fietste riep een moeder:
* Ben je er morgen?
* Ja, maar waarom wil je dat weten?
* Och niks, als je er maar bent. Dan is het goed.’

Sloop Kopse Hof

Nijmeegs Katern 1998 De noodwoningen die voor hoogstens tien jaar waren bedoeld, bleven gewoon staan. Reden was de woningnood. Maar nadat ze de maximale levensduur hadden overschreden, begonnen ze steeds meer gebreken te vertonen. Zoals rot houtwerk, lekkende gasleidingen, gammele buitendeuren en verzakkende plafonds. In 1961 concludeerde de gemeente dat de huisjes rijp voor de sloop waren. Maar omdat het moeilijk was de bewoners elders te huisvesten duurde de afbraak meer dan vijf jaar. Van maart 1962 tot juli 1967. Telkens als een gezin vertrok werd het huis gesloopt. Het resultaat laat zich raden. In de wijk vielen steeds meer gaten en wie het huis van de buren kwijt raakte, kreeg een buitenmuur erbij. Omdat de scheidingswand tussen de huizen daarop niet was berekend, kreeg het vocht vrij spel.

De Gelderlander schrijft zomer 1964 over de ‘beroerde situatie’ waarin de achterblijvers verkeren. Bij het gezin E. zit ‘na de stortbuien van de afgelopen weken de schimmel in de slaapkamers’. En verder is het ook een en al ellende. ‘De ratten hebben vrij toegang, want de ramen sluiten niet en de buitendeuren zijn kromgetrokken’. Elders heerst ‘doorlopend ziekte (want) het toilet kan niet worden doorgetrokken. Ik moet van tijd tot tijd zelf de zaak leegscheppen,’ zo vertelt de vrouw des huizes.

De narigheid loopt zo hoog op dat de bewoners actie gaan voeren, iets wat toen zelfs studenten nog nauwelijks deden. De Kopse Hoffers klagen bij de gemeenteraad en kalken de huisjes vol met leuzen als ‘Villa Valinmekaar’ en ‘Terug naar de holbewoners’. De actie heeft in zoverre succes dat de afbraak versneld wordt, maar iemand is altijd de laatste. Tenslotte wonen ‘de eenzamen op de Kopse Hof’ in krotten in een afbraakbuurt tussen ruïnes waar het gevaarlijk is voor de kinderen is.

In 1967 ging het laatste huisje tegen de vlakte. Voormalige bewoners kijken nog steeds met weemoed terug naar de tijd dat ze op de Kopse Hof woonden. Er heerste veel armoede, maar het saamhorigheidsgevoel was volgens hen veel groter.

Rob Wolf
Bronvermelding: Nijmeegs Katern, februari 1998
Bewerking: Anton van der Meer


 

Villa Westhof

De locatie van de huidige Villa Westhof op de hoek van de Dommer van Poldersveldtweg en de Berg en Dalseweg kent een bijzondere voorgeschiedenis. In het midden van de 18e eeuw stond in de nabijheid van de huidige Villa een pelmolen met de bijzondere naam “ De Goede Hoop”, waarin gerst en haver werd gepeld. Een mooie tekening van deze molen van de hand van Hendrik Hoogers uit het jaar 1770 is te zien in het Valkhof museum.

In 1854 is deze molen voor een groot gedeelte afgebrand en niet meer opgebouwd. Vanwege de oorlogsdreigingen in Europa rond 1860 wilde de regering in Den Haag, met een aantal nieuwe fortificaties, de stad Nijmegen extra bescherming bieden; o.a. Sprokkelenburg en Nieuw Knotsenburg in Lent en het Fort Kijk in de Pot. Ook werd in 1861 een fort gebouwd op de plaats waar voorheen de molen ‘De Goede Hoop’ had gestaan,dat de naam meekreeg: fort “De Afgebrande Molen”.

Mede door de vestingwet in 1874, die inhield dat Den Haag eindelijk toestemming gaf om de vestingwerken van de stad Nijmegen te ontmantelen en door de duidelijke vermindering van oorlogsdreigingen vooral tussen Duitsland en Frankrijk, was het fort ‘De afgebrande Molen’ slechts een kort leven beschoren. In 1877, ruim 15 jaar na de bouw , werd het weer afgebroken. Aldus ontstonden rond de toenmalige Oude Cleefsche Baan, thans de Berg en Dalseweg, vele mooie plaatsen voor bebouwing, waaronder ook Villa Westhofo p een uiterste hoek van het voormalige fort ‘De Afgebrande Molen’,thans de kruising Berg en Dalseweg en Dommer van Poldersveldtweg.

Villa Westhof

In 1882 diende de heer J. Attema, een doopsgezind predikant, een aanvraag in voor de bouw van de villa en deze bouw kwam tot stand door de architect Derk Semmelink, in samenwerking met Johan Andries Giesing. Eerder was door Derk Semmelink Villa Andelshof in Hees ontworpen. De villa valt op door zijn bijzondere dakconstructie en het is dan ook niet verwonderlijk dat Villa Westhof op de monumentenlijst van de gemeente Nijmegen terecht is gekomen. Beide gevels, voor en opzij, hebben grote dakkapellen met een ver overstekende daklijst, daarbij valt de strook metselwerk op, aangebracht op de gevels, als versiering tussen de twee etages. Een serre met balkon aan de kant van de Berg en Dalseweg is later toegevoegd. De hoofdingang bevindt zich aan de zijde van de Dommer van Poldersveldtweg en langs deze weg was ook de uitgestrekte tuin te vinden behorende bij de villa, waarop later een garage is gebouwd. Deze garage is in 2005 afgebroken om plaats te maken voor het huidigeappartementen complex ‘De Beukenhof’. De twee beuken voor dit gebouw zijn naar alle waarschijnlijkheid nog de enige levende getuigen van de voormalige tuin van Villa Westhof.

Zoals eerder vermeld was de heer J. Attema de opdrachtgever voor de bouw van de villa. Het echtpaar Attema woonde destijds tussen 1880 en 1890 op de Muchterstraat, verhuisde vervolgens naar het Kelfkensbosch. In 1895 verhuisden ze naar ’s-Gravenhage. Het is niet duidelijk of zij in Villa Westhof daadwerkelijk gewoond hebben.

Villa Westhof

De bewoningsgeschiedenis van Villa Westhof vermeldt o.a. de volgende personen, families i.c. praktijken:

  • in 1896 verbleef er Wilhelm Theodor van der Mijll Dekker (een gepensioneerd kapitein).
  • van 1901-1902 Matthias Sanders( civiel ingenieur)
  • 1903-1904 geen vermelding in adresboek
  • in 1905 Lambertus van Kuijk(expediteur)
  • in 1906 de familie Faure-Alewijn, Hendrik E. Faure (predikant)
  • in 1909 P.van Roggen
  • in 1910 de weduwe van der Kun
  • in 1914-1915 D.A. van Olst
  • In 1920 Arnold Jacob Bergsma (directeur Willem Smit en Co)
  • In 1948 de weduwe Bergsma met verschillende dames tot in de jaren zestig.

Daarna is er een huisartsenpraktijk geweest van Hermans en Hamers; een makelaardij van Anton Hunnink; en op de eerste etage is tandarts de Grood een praktijk begonnen. De huidige eigenaar is Stef de Grood die samen met Leon Pennings in Villa Westhof een tandartspraktijk uitoefent met als specialisme Senioren Mondzorg.Tevens hebben in de villa de huisartsen Dhr. H.A. Wolvetang en mw. V.L. Renaud hun praktijk, als ook de psychotherapeut Drs. G. Ulrich.

Mei 2013 Marcel van Kalmthout


 De Klokkenberg

Verdwenen monumentale gebouwen in Nijmegen, “De lagere school waar ik op zat van 1953 tot 1961″
door Hans Jansen, Pater Leijdekkersstraat 38 , 6522 Nijmegen

Basisschool De Klokkenberg op De Kopse Hof.
Velen zullen het niet weten maar de christelijke basisschool De Klokkenberg” op De Kopseweg nummer 7, is daar gebouwd in 1971, maar heeft een hele rijke geschiedenis. Aan de buitenkant van de school zou je het zo op het eerste oog niet zeggen, maar wie het gebouw nader onderzoekt zal op een van de muren 2 gevelstenen ontdekken, die de link leggen naar een heel bijzonder verleden van deze school.

De Klokkenberg

Op de gevelstenen de volgende teksten leesbaar:
Links: “Wandel in mijn aangezicht en wees oprecht”           Rechts: “God van den Hemel. Die zal het ons doen gelukken”

de Klokkenberg

Deze gevelstenen zijn meegenomen van het gebouw waar “ De Klokkenberg’ lagere school en kweekschool tot 1963 gehuisvest waren: De Muchterstraat te Nijmegen. Op de foto te zien, links en rechts van de ingang.

De Klokkenberg is de oudste en eerste christelijke normaalschool van Nederland die op grond van de nieuwe onderwijswet en op particulier initiatief op 5 mei 1844 is gesticht door Mr.J van der Brugghen, rechtsgeleerde en van 1856 tot 1858 minister van justitie, Baron van Lijnden, Baron Mackay en Ds. Zubli.
De Klokkenberg is altijd het instituut geweest waar leerlingen de mogelijkheid hadden om zich tot zelfstandige en ethisch handelende individuen te ontwikkelen.

de Klokkenberg

De school stond vanaf 1844 in de binnenstad van Nijmegen op de locatie “De Klokkenberg”. Dit is een steegje tussen de Muchterstraat en de Vleeschhouwerstraat. Hier stond vroeger de klokkenstoel met de noodklok van Nijmegen. Zo komt De Klokkenberg aan haar naam. In 1971 is de school zoals gezegd, verhuisd naar de Kopseweg.
De Klokkenberg was eigenlijk een soort scholengemeenschap. Op de begane grond van het oude gebouw aan de Muchterstraat was de LO school gevestigd. Op de 1e verdieping bevond zich de kweekschool, later gevestigd aan de Ubbergseveldweg, waar in 1971 ook de lagere school werd gevestigd.
De Klokkenberg was eigenlijk een soort scholengemeenschap. Op de begane grond van het oude gebouw aan de Muchterstraat was de lagere school gevestigd. Op de 1e verdieping bevond zich de kweekschool, later gevestigd aan de Ubbergseveldweg, waar in 1971 aan de zijstraat “ De Kopseweg 7, de lagere school werd gevestigd. Aan de Hugo de Grootstraat bevond zich de M.U.L.O. van de Klokkenberg. En wat veel mensen niet weten is dat onderdeel De Klokkenberg van 1927 tot 1969 ook een Internaatsgebouw bezat aan de Ubbergseveldweg 117: het gebouw waar later het schippersinternaat werd gevestigd en nu in gebruik is als een particulier verzorgingstehuis.

de Klokkenberg

de Klokkenberg

Zowel de lagere school, incl. De oude vestiging van de PABO en de MULO school aan de Hugo de Grootstraat zijn inmiddels afgebroken. In het digitale regionale archief van de gemeente Nijmegen zijn nog vele oude beelden terug te zien van het oude gebouw boven aan “het groene balkon”.

de Klokkenberg

De Klokkenberg vlak voor de sloop in 1963.

Naar school…De Klokkenberg!

Mijn ouders verhuisden in 1946, vlak nadat zij in het huwelijk waren getreden, van Apeldoorn (Ugchelen) naar Nijmegen, omdat mijn vader voor de NS naar Nijmegen werd overgeplaatst. In 1947 werd ik geboren en 6 jaar later ging ik naar de protestants christelijke lagere school “De Klokkenberg”. Mijn ouders waren protestant en het was dus logisch voor hen dat zij mij ook een opvoeding en opleiding binnen deze geloofskaders wilden geven. Op de lagere school zat ik van 1954 tot 1961 en op de MULO aan de Hugo de Grootstraat van 1961 tot 1966.
Ik weet nog goed dat ik vanuit klas 3 van school een prachtig uitzicht had over de rivier De Waal en de Waalbrug van Nijmegen. Een uitzicht dat mij aan toen doet herinneren, is alleen nog te zien vanuit de bovenste verdieping van De Commanderie te Nijmegen (Coffijn)
Ook mijn vervolgopleidingen heb ik onder andere mogen genieten in belangrijke gebouwen in Nijmegen Oost, zoals het Canisius College aan de Berg en Dalseweg..! Maar dat is weer een ander bijzonder gebouw in ons Nijmegen Oost!

BRONNEN:

Boek: Zo maar een klas uit de jaren ’50”, G.J. Gerritsen


 

 Vier provincies-uitzicht in Nijmegen – Oost: Gelderland, Brabant, Utrecht en ….Duitsland.

De Uitkijktoren

Nijmegen was eind 19e, begin 20e eeuw een toeristisch aantrekkelijke stad. Net als nu kende het uiteraard ook toen een grote afwisseling van landschappen en natuur: polderland in combinatie met beboste heuvels.

Begin 20e eeuw werden er onder andere 2 bijzondere voorzieningen gesticht, die helaas in het midden van diezelfde eeuw weer werden afgebroken. Dat gold natuurlijk voor de prachtige tramlijn Nijmegen- Berg en Dal, maar ook voor de uitkijktoren aan de Kwakkenbergweg. Deze werd geopend op 8 augustus 1906 en gesloopt in 1957.

De Uitkijktoren

Aankoopdocument van de uitkijktoren door de heer Houweningen, gericht aan Burgemeester en Wethouders van de gemeente Groesbeek (1906)

Om de voormalige positie enigszins te bepalen: de toren stond aan de Kwakkenbergweg op het hoogste punt tussen de Sophiaweg en de Johannaweg. Ruim 50 jaar konden bezoekers van deze toren genieten van een geweldig uitzicht. De toren zelf was 24 meter hoog en gebouwd op een heuvel, waarover de Kwakkenbergweg ook nu nog loopt, die op zich al 70 meter boven NAP uitsteekt. Vanaf deze kijkhoogte van 94 meter kon men bij goed weer ver Duitsland, Gelderland en Noord-Brabant inkijken en zelfs Rhenen (Utrecht) zien liggen. Zicht op 4 provincies! Onder de toren werd door de oprichter, de heer Houweningen, in het begin een houten theehuisje gebouwd, dat later werd verbouwd tot een (stenen) restaurant, van waaruit men de toren kon beklimmen.

De Uitkijktoren

Artikel over de afbraak van de uitzichttoren (1957)

Ik weet nog dat ik met mijn vader, in de jaren vijftig van de vorige eeuw, deze stalen toren heb beklommen: dertien trappen, met een veelvoud aan treden. Deze trappen zijn na de sloop van de toren verhuisd naar de grote speeltuin in Berg en Dal: het huidige Tivoli! Je zult ze overigens daar niet meer vinden.

Maar er is hoop voor een nieuw uitzicht! Het lijkt er op dat in 2014 het groene licht wordt gegeven voor de reconstructie van “De Donjon” op het Valkhof. Een replica van de vluchttoren van de “ Barbarossa- burcht” , die tot het midden van de 19e eeuw de skyline van Nijmegen bepaalde, samen met de St. Stevenstoren en de (niet meer herbouwde) Augustinuskerk. Dan zal er een nieuw uitzicht punt in Nijmegen opgericht zijn, van waaruit met goed weer waarschijnlijk ook weer Rhenen te zien zal zijn. Hopelijk is deze Donjon een langer leven beschoren dan de voormalige uitkijktoren aan de Kwakkenbergweg.

Een uitkijktoren, niet ver van de hiervoor besproken toren vandaan, heeft het iets langer uitgehouden. Deze toren bood ook een prachtig, maar niet zo’n hoogstaand uitzicht. Ik bedoel de uitzichttoren aan de Oosterbergeweg te Beek, vlak bij de voormalige trambrug over de Van Randwijckweg. Naast deze toren werd een restaurant gerund, dat nog niet zo lang geleden het veld moest ruimen voor de bouw van de villa van de familie Terwindt. Of deze eveneens afgebroken toren nog zal worden herbouwd?….. wie het weet mag het zeggen.

Januari 2014
Hans Jansen


Het badhuis aan de Koolemans Beynenstraat

Op 20 april 1927 ligt er een voorstel in de Raadsvergadering van de Gemeente Nijmegen om een badhuis op te richten aan de Koolemans Beynenstraat, hoek Daalseweg. De bouwkosten worden begroot op 63.000,- gulden. Het ontwerp is van de Gemeentewerken Nijmegen, in de trant van de Amsterdamse School. Een jaar later, 28 maart 1928, wordt het nieuwe gebouw overgedragen aan de woningbouwvereniging “Nijmegen”, die voor het beheer en onderhoud zal gaan zorgen.

Badhuis
Het bad is vanaf 9 juli 1928 toegankelijk. Het publiek kan zes dagen per week genieten van een stortbad (15 cent) of een kuipbad (30 cent). Een stukje zeep en gebruik van een handdoek zijn daarbij inbegrepen. Vanuit de wachtkamer gaan de mannen naar rechts en de vrouwen naar links. Een muur houdt beide groepen gescheiden. Ook de overdekte fietsenstallingen zijn gescheiden.

Een maand later wordt er geklaagd in de Raadsvergadering van 18 juli 1928: De heer Corduwener (raadslid voor de SDAP) vindt de entreeprijs te hoog, zeker op de zaterdag als een toeslag wordt geheven – dit om het badderen op maandag, dinsdag en woensdag te bevorderen. De heer Corduwener pleit voor de arbeiders, die gewend zijn zich op de zaterdag te verschonen. Gezinnen met kinderen kunnen niet regelmatig naar het badhuis, men zal eerst moeten sparen, aldus de heer Corduwener. (Meer informatie over hem, zie “Corduwenerstraat” op deze website).

Vanaf 1928 tot 1939 worden er 130.153 stortbaden en 102.372 kuipbaden verkocht. In de oorlogsjaren 1940 tot 1944 komen daar nog 207.403 stortbaden en 32.620 kuipbaden bij. Vanaf september 1944 is het badhuis gesloten voor burgers. Geallieerde militairen gaan het gebruiken: 44.000 stortbaden.

Badhuis

In januari 1945 vragen burgers aan het Gemeentebestuur of het badhuis enkele dagen per week weer open kan gaan. Maar zij kunnen ook terecht in het Sportfondsenbad, dat in 1937 zijn deuren en douches heeft geopend. En in de naoorlogse woningbouw komen steeds meer huizen met baden en douches. (In 1961 worden de huizen in de Koolemans Beynenstraat voorzien van een douche, warm water kwam via de keukengeiser). Vanaf 1972 woont er geen badmeester meer op de bovenverdieping. Het woonhuis wordt verhuurd aan studenten. De boilers van het badhuis blijven branden, want ook deze studenten moeten kunnen douchen. In 1983 gaat het badhuis definitief dicht.

Er zijn plannen om het badhuis te gaan gebruiken als sauna, met een horecavoorziening, maar dat past niet in het bestemmingsplan. In 1988 neemt de jeugdtheatergroep “TejaterTeneeter” het gebouw in gebruik. Er komt een theaterzaal met 120 zitplaatsen. De bovenverdieping wordt kantoor.De officiële geschiedenis van Stichting TejaterTeneeter, later kortweg Teneeter, begint op 16 november 1976. Schrijvers als Pauline Mol, Imme Dros, Rob de Graaf, regisseurs als Andy Daal, Johan Doesburg, Yolande Bertsch, Andrea Fiege, Charlotte Riem Vis, Matthijs Romke, acteurs als Agnes Bergmeijer, Rob Beumer, Joost Koning, Maureen Tauwnaar, Chris Tates, componisten als Bernard van Beurden, Arno Dieteren en Bart van Dongen en vele anderen maken deel uit van een enerverende geschiedenis, die 25 jaar zal duren.Artistiek leider Rinus Knobel en zakelijk leider Trees van Dijk vervullen een sleutelrol in de theatergroep. In 2001 komt een einde aan het bestaan van Teneeter, omdat de subsidie wegvalt. In oktober 2002 neemt het jeugdtheatergezelschap “Kwatta” het stokje over tot op de dag vandaag (januari 2014).

Bron: Numaga, Nijmeegs Katern juni 2004, auteur Pierre Hopman, bewerking en fotografie A. van der Meer, januari 2014. Zie ook de website van Noviomagus voor persoonlijke verhalen.


 

Café Groenewoud 250 jaar en de Robinson Schoenenfabriek

Café Groenewoud is het op één na oudste café van Nijmegen. Huis Groenewoud werd in 1763 gebouwd door waldforster (boswachter) Frans Stevens. De boswachterswoning annex boerderij van Stevens ligt aan de doorgaande weg van Nijmegen naar Groesbeek. Tot het begin van de twintigste eeuw was dat niet meer dan een zandpad. Direct na de bouw van zijn huis bood Frans Stevens gastvrijheid aan passerende reizigers als logement en uitspanning. Groenewoud groeide uit tot herberg en populaire pleisterplaats, ook steeds meer voor Nijmegenaren die buiten de stadswallen rust en ontspanning zochten na een wandeling of rit te paard door het Nederrijkswald ten zuidoosten van de stad.

Café Groenewoud
In de loop van deze 250 jaar heeft Groenewoud alle denkbare horecafuncties gehad. Van logement en uitspanning c.q. wisselplaats/stalling voor paarden en koetsen, vervolgens herberg, hotel, café, restaurant tot de huidige functie café-zaal Groenewoud. Het bedrijf Groenewoud kreeg in 1820 een officiële horecabestemming. Het heeft in zijn hele bestaan altijd het karakter van een familiebedrijf gehad. Bij veel families bleef het café generaties lang in bezit. Zo ook bij de huidige eigenaren: de familie Kalmár. De familie Kalmár kocht café-zaal Groenewoud in 1985. Vader en moeder runden het café met hun twee kinderen. In 1999 nam dochter Karin de zaak van haar ouders over. Ondernemerszin en de beste eigenschappen van goed gastheerschap brachten Karin Kalmár er toe de zaak voortdurend ‘up to date’ te houden. Kleine en grotere verbouwingen en aanpassingen, gerealiseerd met een goed gevoel voor de combinatie van kleinschaligheid en kwaliteit, maakten van café-zaal Groenewoud het succesvolle horecabedrijf dat het nu is.
(Bronvermelding: Café Groenewoud)

Wetenswaardigheden:

Achter het café, aan de Postweg, is in 1930 een lemen wielerbaan gemaakt, een foto daarvan is te vinden op de website van het café.Later is op die plek de schoenenfabriek Robinson gebouwd. Op de website van Noviomagus staat de geschiedenis van de Nijmeegse schoenenfabrieken beschreven. De geschiedenis van Swift, Robinson, Wellen en Nimco, hun fabrieken, opleidingen, fusies: zie: Robinson Schoenenfabriek

Na de sluiting van de fabriek in 1970 betrok het WNO (Werkvoorzieningschap Nijmegen en Omgeving, in de volksmond de Sociale Werkplaats geheten)het gebouw.

Robinson Schoenenfabriek

In 1986 is de fabriek afgebroken en kwam er een woonwijkje voor in de plaats: de Verzetsstrijdersbuurt: Albert Marcussestraat, Bart Hendriksstraat, Cees de Jongstraat, Herman Oolbekkinkstraat, Wim Beermanstraat.

Meer informatie, en nog veel meer foto’s staan op de website Café Groenewoud)

Bewerking Anton van der Meer


Openbare School nr. 2 Prins Hendrikstraat 7

De school voor uitgebreid lager onderwijs (U.L.O.) aan de Prins Hendrikstraat is ontworpen door de Nijmeegse Stadsarchitect Jan Jacob Weve (1881 – 1921).

Openbare school nr. 2
De U.L.O. ligt beeldbepalend op de hoek van de Prins Hendrikstraat en de Bijleveldsingel.

De school telt twee verdiepingen met elk zes klaslokalen. Een halfronde uitbouw op de hoek vormt het opvallend scharnierpunt tussen de twee hoofdvleugels. De gevels van de U.L.O. zijn eenvoudig uitgevoerd met een paar details in hardsteen. In enkele topgevels zijn decoratieve velden aangebracht. Een tegeltableau in de gevel aan de Bijleveldsingel is voorzien van een aanduiding van het bouwjaar (1906) en van modieuze florale Jugendstil-motieven. Diezelfde bloemmotieven zijn ook verwerkt in het ijzeren raamwerk rond de entree aan de Prins Hendrikstraat.

Anno 2014 staat het gebouw bekend als PH 7. Hier zijn 10 organisaties gehuisvest, o.a.
– Circusschool
– Theater Grote Broer
– Colourfull City
– Music Meeting

Openbare school nr. 2

Bron: Tijs Tummers, Architectuur in Nijmegen, 1994
Bewerking en fotografie: Anton van der Meer, 2014


Sterflats aan de Barbarossastraat.

Sterflats aan de Barbarossastraat.
Het heuvelplateau Belvoir en de Batavierenweg was in de oorlog ‘40-‘45 zwaar getroffen. De indrukwekkende omgeving van de heuvelrug – met uitzicht op de Ooypolder – vroeg in de naoorlogse wederopbouwplanning om een architectonisch statement: de Rotterdamse architect Harry Nefkens ontwierp vijf sterflats van 9 verdiepingen, waarvan er uiteindelijk twee gerealiseerd werden. Vanuit de flat had men een uniek uitzicht op de stad, de rivier, de Ooypolder en het Reichswald. De flats staan op een behoorlijke onderlinge afstand, zodat er op de begane grond voldoende ruimte is het heuvelplateau te betreden. Vanaf de Waalbrugis er een groots en levendig stadsbeeld: rechts de toren Belvedère, links de sterflatgebouwen.

De twee gerealiseerde flats omvatten elk 34 luxe woningen; elke woonlaag heeft twee 4- en twee 5-kamerwoningen. Aan de buitengevels is het betonskelet gedeeltelijk door lichtgeel en paars metselwerk bekleed. De mozaïeken en glazen zandstraalpanelen bij de ingang benadrukken het luxe karakter en verwijzen in hun uitgesproken stijl ontegenzeggelijk naar het eind van de jaren vijftig.

Sterflats aan de Barbarossastraat.

Bron: Tijs Tummers, Architectuur in Nijmegen, 1994
Bewerking en fotografie: Anton van der Meer, 2014


 

Voormalig Museum G.M. Kam.

Gerard Maria Kam (1836 – 1922) was een Rotterdamse ondernemer. Hij was werkzaam in de Rotterdamse scheepsbouw en staalhandel en actief in de Rotterdamse gemeenteraad.

Gerard Maria Kam (1836 – 1922) In 1897 trok hij zich terug uit het openbare leven en verhuisde naar Nijmegen om zijn liefhebberij – archeologie – te kunnen uitoefenen.Hij ging wonen in de Eleonorastraat, de huidige Museum Kamstraat. In zijn achtertuin – een grafveld uit de Romeinse tijd – was van alles te vinden. Hij liet zijn vondsten zien aan de Nijmeegse bevolking op de zolder van het koetshuis. In 1919 schonk hij zijn collectie aan de staat en liet op eigen kosten een museumgebouw optrekken aan de Eleonorastraat, die op 3 mei 1922 werd omgedoopt tot de Museum Kam straat.

De architect van het museum is Oscar Leeuw. Hij inspireerde zich op de romeinse villa’s in Pompeji. In het monumentenregister van de gemeente Nijmegen staat onder meer vermeld over het Museum Kam: van 1922 tot 1998 functioneerde het gebouw als een museum. In 1998 werd de collectie overgebracht naar het nieuw gebouwde, het Valkhofmuseum aan het Kelfkensbosch. Het gebouw aan de Museum Kam straat ging dienst doen als archeologisch studiecentrum.

Voormalig Museum G.M. Kam. Het imposante gebouw, dat door de twee torens een burcht-achtige indruk maakt, bevat zowel buiten als binnen opmerkelijke versieringen. Zo zijn op de hoektorens twee medaillons te zien, die respectievelijk de voor- en achterzijde van een Romeinse munt afbeelden. Boven de ingang staat een koperen beeld van de Romeinse wolvin, die volgens de overlevering Romulus – stichter van Rome – en Remus van de hongerdood heeft gered. Binnen, in het atrium, is vooral de trappenpartij zeer imposant.

Bewerking en fotografie: Anton van der Meer, 2014