walmuur

De geschiedenis van de bebouwing in de wijk Nijmegen-Oost zoals we die wijk nu kennen, begint eigenlijk pas na de sloop van de vestingwerken. Hieronder in vogelvlucht een overzicht van die eerste periode, speciaal voor onze website samengesteld door Henk Rullmann.

driemanschap  ontmanteling_01

Ontmanteling en uitleg van Nijmegen
Halverwege de 19e eeuw werd de groei van het overvolle Nijmegen ernstig beknot door muren, poorten en overige vestingwerken die als een knellende band om de stad lagen. Nijmegen had de status van vesting en die hield iedere vorm van stadsuitbreiding tegen. Buiten de muren mocht in een straal van 1 km niet in steen gebouwd worden om in tijden van oorlog een vrij schootsveld te hebben. De oorlogsvoering in de Frans-Duitse oorlog van 1870-1871 toonde aan dat het geen zin meer had het land met een gordel van vestingsteden te verdedigen. Eindelijk dan, in april 1874, werd de Vestingwet aangenomen en die bepaalde de opheffing van de vestingstatus van een aantal steden, waaronder Nijmegen. Daarmee kwam de weg vrij voor afbraak van de vestingwerken (de ontmanteling) en een spectaculaire groei van Nijmegen (de uitleg). Zonder twijfel is die uitleg het meest kenmerkende aspect geworden van de stadsgeschiedenis aan het einde van de 19e en het begin van de 20e eeuw.

afbraakwallen

Commissie van uitleg
Nog geen maand nadat het parlement de Vestingwet had aangenomen, benoemde de gemeenteraad een ‘commissie tot uitleg van de stad’. Deze kreeg tot taak om de nieuwe ontwikkelingen die de stad tegemoet ging in goede banen te leiden. Zo moest er met de rijksoverheid onderhandeld worden over de aankoop van de vestinggronden, de muren en poorten moesten gesloopt worden, er moesten plannen gemaakt worden voor de bestemming en invulling van de nieuwe gronden. En niet in de laatste plaats moest de stad eindelijk aansluiting krijgen op het nationale spoorwegnet.
De commissie bestond uit drie vooraanstaande Nijmegenaren die zich al jarenlang sterk gemaakt hadden voor de ontmanteling en uitleg van de stad. Het waren de advocaat Mr. Walraven Francken, de industrieel Herman L. Terwindt en de koopman Johannes Graadt van Roggen, mannen die hun sporen in de politiek reeds verdiend hadden. Alle drie waren jarenlang gemeenteraadslid, Francken en Terwindt bovendien vele jaren wethouder.
Deze commissie, die in de wandeling het “Driemanschap” werd genoemd, begon direct met plannen maken: een beheersplan in plaats van rekening te houden met bestaande eigendomsverhoudingen en verkavelingsstructuren. Wat hen voor ogen stond was een stad van licht, lucht en ruimte: statige, ruime huizen, parken en fonteinen, brede singels en pleinen, kortom het woon- en leefgebied voor een gegoede burgerij die van heinde en ver (tot Indië toe) verlokt werd om hier te komen wonen.
Maar in de eerste jaren ging het langzaam. De sloopwerkzaamheden vlotten niet, omdat ‘Den Haag’ herhaaldelijk met nieuwe schattingen aankwam omtrent de over te dragen vestinggrond.
Pas in 1877 – drie jaar na de Vestingwet – werd de koop gesloten en nam de gemeente voor twee ton het voormalige vestingterrein (80 ha.) van het Rijk over. Partijen kwamen verder overeen dat Heumensoord als militair oefenterrein aan het Rijk werd afgestaan. Nu kon men aan de slag met de afbraak van walmuren, torens etc. Binnen twee jaar werd alles gesloopt, met uitzondering van de vestingtorens en muurgedeelten in het Hunnerpark en het Kronenburgerpark. Wat rest is een aantal straatnamen, dat nog herinnert aan de oude vesting.

spoorbrug

Spoorwegen

Een woongebied voor welgestelden, zoals het driemanschap nastreefde, betekende ook dat er goede verbindingen met de rest van het land moesten komen. Daar was tot dan toe geen sprake van. In 1865 was er uit particulier initiatief en in samenwerking met de Rheinische Eisenbahn Gesellschaft een spoorlijn naar Kleef tot stand gekomen met een kopstation ter hoogte van het huidige concertgebouw “De Vereeniging”, maar daar bleef het voorlopig bij. Pas in 1875 werd begonnen met de aanleg van een spoorlijn naar Arnhem. De spoorbrug en spoordijk kwamen in 1879 gereed en in datzelfde jaar werd de treinverbinding met Arnhem feestelijk geopend. Nijmegen, met een kleine 25.000 inwoners, was daarmee de laatste stad van die omvang, die aansluiting op het nationale spoorwegnet kreeg. De spoorlijn naar Den Bosch kwam in 1881 tot stand, in 1883 gevolgd door de lijn naar Venlo. In 1885 werd het Spoorwegmonument opgericht, een zinken Victoria-figuur die fijntjes herinnerde aan de inmiddels 20-jarige verbinding met Kleef, die uit particulier initiatief geboren werd. De bestaande stations langs de lijnen naar Kleef en Arnhem werden in 1894 vervangen door een stenen neogotisch stationsgebouw, ontworpen door C.H. Peters. Dit prachtige station, dat in de oorlog verloren is gegaan, was een uitnodigend welkom aan vreemdelingen om zich hier te vestigen.

interieurstation uitleg-01 uitleg-02 uitleg-03

Plannen van uitleg

Het eerste plan van uitleg (juni 1877)

Nadat de vestingstatus van Nijmegen in 1874 was opgeheven maakte F.W. van Gendt, ingenieur voor de ontmanteling in Rijksdienst, een eerste plan voor de uitleg van de stad. Dit soort plannen waren geen planologische hoogstandjes. Net als in andere Nederlandse vestingsteden ging het er vooral om de waarde van de vestinggronden te bepalen en een inzicht te krijgen in de kosten en baten die een gemeente kon verwachten. Die schattingen dienden als uitgangspunt in de onderhandelingen met het Rijk over de verkoop van de grond.
Het Nijmeegse plan voorzag in twee parallel lopende boulevards en Van Gendt had ruimte gereserveerd voor de aanleg van een park bij de Kronenburgertoren. Verder werden de belangrijkste invalswegen naar buiten toe verlengd en werd het nieuwe gebied op eenvoudige wijze in kavels verdeeld. De Romeinse cijfers van de kavels verwijzen naar een bijlage waarin de geschatte opbrengst van de bouwterreinen vermeld stond. Was de transactie eenmaal achter de rug, dan werd een ‘planoloog’ gezocht, die dit eerste plan van uitleg als basis gebruikte voor een verdere ontwikkeling van de uitlegplannen. Zo ging het ook in Nijmegen.

Het tweede plan van uitleg (november 1877)

In 1877 werd de Maastrichtse stadsarchitect W.J. Brender à Brandis gevraagd een plan van uitleg te ontwerpen met als uitgangspunt het plan van Van Gendt. Gemeentearchitect P. van der Kemp werd “met het oog op zijn gevorderde leeftijd” gepasseerd. Brender à Brandis stelde een plan op dat stedebouwkundig harmonischer was met als basis een groot ovaalvormig plein waarop zeven wegen uitkwamen (ongeveer het tegenwoordige Keizer Karelplein). Hij ontwierp twee evenwijdige brede boulevards en reserveerde veel ruimte voor pleinen en parken. Aan de oostkant het Hunnerpark met een rond plein en aan de westkant het Kronenburgerpark met ter hoogte van de Nieuwe Markt een rechthoekig plein. Verder was er een eenvoudige ontsluiting van het station en de aanleg van een rechte weg naar het zuiden (Mook). De binnenste boulevard werd onderbroken door het voor militaire doeleinden gereserveerde terrein tussen Hertog- en Ziekerstraat.
Dit plan is niet uitgevoerd, maar werd gewijzigd.
Het Driemanschap had namelijk vernomen dat een zekere L.A. Brouwer uit Den Haag voor de stad Groningen een plan had bedacht. Zij besloot het plan van Brender à Brandis ter beoordeling aan Brouwer toe te zenden.
Brouwer maakte een ontwerp, waarin duidelijk elementen uit het plan van Brender à Brandis te vinden waren. Daarna bracht Brender à Brandis op zijn beurt weer wat wijzigingen aan, maar ook dit plan is niet uitgevoerd. Er werd aan geschaafd en zo groeide het toe naar het hierna volgende definitieve plan van Brouwer.

Het definitieve plan van uitleg (1878)

Dit is het plan dat Bert Brouwer tenslotte naar de Commissie stuurde. Het Commissielid Graadt van Roggen was er erg enthousiast over omdat in dit plan meer grond voor bouwterrein vrijkwam. De geprojecteerde hoofdstraten waren breder, maar het aantal straten werd minder, met als gevolg dat per saldo het totale straatoppervlak kleiner werd. Dat werkte kostenbesparend.
Een belangrijk verschil met het plan van Brender à Brandis was de vervolmaking van diens ovale plein tot een groot rond plein, het huidige Keizer Karel­plein. De Groesbeekseweg ontsprong niet uit het plein, maar uit de St. Annastraat. De belangrijkste verkeersaders die op het plein uitkwamen, waren de Van Schaeck Mathonsingel, de Oranje- en de Canisiussingel. Rond het oude stadscentrum liep een voor Nederlandse begrippen zeer brede boulevard van ‘Frans’ aandoende allure. Ook in Brouwers plan kwam het Kronenburgerpark voor.
Goed te zien is dat de geplande stadsuitleg zich plooit rond het militaire terrein. Het Rijk had dit gereserveerd, oorspronkelijk met het doel het blijvend als militair terrein te bestemmen. Het betrof voornamelijk het Mariënburg, het gebied tussen de Ziekerstraat en de Hertogstraat, de oostzijde van de Oranjesingel en het terrein van het voormalige Fort Kijk in de Pot. Omstreeks 1895 kwamen deze terreinen aan de Gemeente.
Brender à Brandis was niet echt blij met de bemoeienis van Brouwer, maar toen bleek dat diens plan veel lof oogstte kon ook hij, na het aanbrengen van een aantal marginale wijzigingen, ermee in zee gaan. Zo werd het plan Brouwer (toch weer) met enige wijzigingen van Brender à Brandis vastgesteld en werd onder leiding van laatstgenoemde begonnen met de uitvoering ervan.

batavierenweg overlijdenbrouwer

Bert Brouwer

Als geen ander zag architect Bert Brouwer de commerciële en economische kansen die de stad te bieden had. Hij vestigde zich in Nijmegen, richtte hier de N.V. Nijmeegsche Maatschappij tot Exploitatie van Bouwterreinen op en ontplooide zich tot een rasechte ‘projectontwikkelaar’. Hij kocht van de gemeente grote stukken vestinggrond, deelde die op in kleinere percelen en verkocht ze bebouwd met villa’s of onbebouwd voor veel geld weer door. Voor duizenden guldens werden woningen gebouwd en bouwterreinen verkocht aan particulieren.
In 1881 kocht Brouwer bijna 15 ha grond onder voorwaarde dat hij binnen tien jaar de helft zou bebouwen én ter plekke een ‘uitspanningslokaal’ en een ‘terrein van vermaak’ zou stichten. Een jaar later werd aan het Keizer Karelplein de eerste buitensociëteit “De Vereeniging” feestelijk geopend (voorganger van het tegenwoordige concertgebouw). Een maand later volgde op de Wedren – de naam herinnert er nog aan – de opening van een 400 m paardenrenbaan. In 1884 nam Brouwer het initiatief tot de aanleg van de eerste wielerbaan van Nederland op een terrein achter “De Vereeniging”. Ren- en wielerbaan hebben ongeveer 7 jaar bestaan.
In 1891 overleed Bert Brouwer plotseling op 47-jarige leeftijd.

stenenkruisstr1&3 groesbeeksedwarsweg

Woningbouw

Nadat alle onderhandelingen met het Rijk en alle sloopwerkzaamheden achter de rug waren, ontwikkelde zich vanaf 1878 een explosieve bouwactiviteit, die veel werk opleverde en ook de plaatselijke middenstand geen windeieren legde. In wat wij nu de ‘schil’ van de stad noemen, op de voormalige vestinggronden, werden langs de uitvalswegen, aan de brede singels en op de stervormige pleinen rijen huizen uit de grond gestampt voor de gegoede burgerij. Fraaie en statige huizen in allerlei verschillende neostijlen of mengvormen daarvan, tot in detail de moeite waard om te bekijken, geven ons een prachtig beeld van de snel uitdijende stad. Het is niet voor niets dat het stadsbestuur de ’19e eeuwse schil’ heeft verklaard tot beschermd stadsbeeld. Loop op een zomerse zondagochtend maar eens in dit gebied en proef de smaak van de schil: let op de torentjes, de dakkapellen, de erkers, de deuren, de tuinhekken en alle details die per huis verschillen.
De stedelijke uitbreidingen gingen vanzelfsprekend ook gepaard met een flinke bevolkingstoename. De stad kon eindelijk weer ademhalen. In 1876 telde Nijmegen ruim 24.000 inwoners, in 1905 was dit aantal opgelopen tot ruim 50.000! Het bebouwde oppervlak verdrievoudigde in dezelfde tijd.

Volkswoningbouw

Met uitzondering van een complex huisjes in de Spaarbankstraat ( tegenwoordig Claes Noorduijnstraat: de huizen tegenover verpleeghuis Margriet) was er tot ca. 1900 geen sprake van volkswoningbouw. Pas rond de eeuwwisseling, ongeveer 20 jaar na de oplevering van het eerste herenhuis, kwam de volkswoningbouw op gang en wel voornamelijk op gronden buiten het voormalige vestingterrein en tussen de uitvalswegen in. Denk daarbij aan de wijken Altrade en Bottendaal.
Sociaal bewogen, gegoede Nijmegenaren hebben al wel eerder het een en ander gedaan op het gebied van de volkshuisvesting. Leden van de Gezondheidscommissie bijvoorbeeld hebben herhaaldelijk gewezen op onaanvaardbare woonomstandigheden. In 1887 werd door o.a. de stadsarchitect Weve en Terwindt, lid van het Driemanschap, de woningvereniging “Hulpbetoon” opgericht, met als doel het stichten van goede en gezonde woningen voor de minder bedeelden.
Het eerste project dat door deze vereniging werd gerealiseerd was een complex van 49 arbeiderswoningen aan de Groesbeeksedwarsweg: tweekamerwoningen in twee lagen boven elkaar gebouwd. Andere woningbouwverenigingen uit die eerste tijd waren Eigen Haard en Volksbelang. Op de Waldeck Pyrmontsingel tussen de Stenenkruisstraat en de Daalseweg is te zien hoe herenhuisbouw en volkswoningbouw hier zeker niet naadloos op elkaar aansluiten.

kronenburgerpark ontwerphek nassausingel

Parken en plantsoenen

Naast de statige huizenrijen aan brede singels en fraaie pleinen en naast goede verbindingen met de rest van het land, moest er ook voldoende ruimte zijn voor groenvoorzieningen, voor de aanleg van parken en plantsoenen.

Kronenburgerpark

Het Kronenburgerpark werd in 1885 ontworpen door de beroemde Leuvense tuinarchitect Lieven Rosseels. Uitgangspunt bij de aanleg van het park was het behoud van de walmuur met de drie torens, de Kronenburgertoren, de St. Jacobstoren en de Roomse Voet. De walmuur werd, om een romantisch en schilderachtig effect te krijgen, verlaagd. Het ter plaatse sterk geaccidenteerde terrein leende zich uitstekend voor de heersende Engelse landschapsstijl met zijn glooiende gazons, waterpartijen, hoogteverschillen en diversiteit in boomsoorten. Totale kosten 25.000 gulden.

Hunnerpark

Dezelfde Lieven Rosseels ontwierp in 1882 het Hunnerpark op een terrein dat zich uitstrekte van de Voerweg tot de Regentessestraat en mr. Franckenstraat. In het park waren een aantal percelen bestemd voor de bouw van villa’s, maar om onduidelijke redenen is de villabouw niet doorgegaan. Rosseels maakte een nieuw plan zonder woningbouw dat eenvoudiger van opzet was. Dit Hunnerpark werd in de 30er jaren aanzienlijk gewijzigd door de bouw van de verkeersbrug over de Waal met toegangswegen.

Valkhofpark

Na de afbraak van het Valkhof in 1797 werd door de tuinarchitect Zocher een park aangelegd waarin de St. Nicolaaskapel en de St. Maartenkapel een prominente plaats kregen. Omdat begin 19e eeuw een aantal storende veranderingen werd aangebracht, vond ca. 1835 een herinrichting van het park plaats naar een ontwerp van Hendrik van Lunteren. Na opnieuw een aantal ondeskundige ingrepen, kreeg Rosseels in 1886 de opdracht voor een herinrichting en uitbreiding van het park de helling af richting Waalkade. In datzelfde jaar werd de brug over de Voerweg aangelegd naar een ontwerp van stadsarchitect J.J. Weve. De brug met het prachtige smeedijzeren toegangshek – na een lange periode van verval in 1977 geheel gerestaureerd door de meestersmid Hilbers – is een huldeblijk aan het Driemanschap dat zo bekwaam leiding heeft gegeven aan de ontmanteling en uitleg van de stad.

Plantsoen Keizer Karelplein

Vóór 1883 bestond het middelpunt van dit centrale plein in de 19e eeuwse schil uit een 3 m hoge rotspartij, geflankeerd door vier vazen op een voetstuk en omringd door planten en struikgewas. Uit de rotspartij spoot een fontein. Rotsen en fontein waren een ontwerp van F.J. Moerhoers uit Utrecht en het plantsoen werd ontworpen door de Fa. Copijn uit Groenekan. Al snel bleek het naar het midden oplopende plein slecht te overzien, zodat de Raad instemde met een herinrichting van het middengedeelte. Opnieuw werd de hulp ingeroepen van Lieven Rosseels.
Hij bracht de gewenste niveauverlaging aan en ontwierp een vijver met drie houten bruggen.
De toegangen tot het plantsoen lagen precies tegenover de op het plein uitkomende wegen. U moet maar eens gaan kijken op een hele stille ochtend.

keizerkarelplein

De verfraaiing van de stad

Alles was er dus op gericht om het wonen of tijdelijk verblijven in deze stad zo attractief mogelijk te maken. Om die aantrekkelijkheid nog te vergroten werd in 1878 de Vereniging tot verfraaiing van Nijmegen en het Schependom opgericht. Sinds 1825 bestond al het Straalmanfonds en beide verenigingen stelden zich ten doel om wandelplaatsen, straten en pleinen te verfraaien, te beschermen en te onderhouden. Zo verzorgden zij bijvoorbeeld in 1889 de aankoop van een groep van vier beelden, voorstellende Flora, Ceres, Pomona en Vesta, de godinnen van de vier jaargetijden (ontworpen door Mathurin Moreau). De beeldengroep stond aanvankelijk opgesteld in de groenstrook tussen de rijbanen van de Nassausingel en werd later overgebracht naar het Hunnerpark waar ze nog steeds staat.

mariageboortekerk

Katholieke kerken

Het emancipatieproces van de katholieke gemeenschap in de tweede helft van de 19e eeuw had langzaamaan geleid tot een nieuw zelfbewustzijn, dat zich uitte in de bouw van een aantal kerken in neogotische stijl in het centrum van de stad. Deze Katholieke kerken (in de Augustijnenstraat, Broerstraat, Molenstraat en aan de Doddendaal) zijn alle ten onder gegaan in het oorlogsgeweld van 1944.
De uitleg van de stad noopte tot een uitbreiding van het aantal kerken. Zo werd vanuit de St. Dominicuskerk in de Broerstraat in 1893 aan het Mariaplein de Maria Geboortekerk gesticht. Aanvankelijk stond op deze plek een kleinere kerk, bedoeld als hulpkerk van de kerk in de Broerstraat, naar een ontwerp van de architect Jules Kayser. Die hulpkerk was binnen 10 jaar al te klein, zodat rond 1900 uitbreiding noodzakelijk werd, eveneens naar een ontwerp van Kayser. Toen de kerk in 1921 van hulpkerk parochiekerk werd en een verdere uitbreiding noodzakelijk bleek, werd de hulpkerk afgebroken en kreeg het gebouw zijn huidige vorm, volgens een ontwerp van Kayser jr.

Henk Rullmann

Voornaamste bron: Stad aan de Waal, Nijmegen van Romeinse tot moderne stad, onder red. van R. Abma e.a., Nijmegen, 1984.

Foto’s: alle foto’s komen uit de fotocollectie van het Regionaal Archief Nijmegen