Oorlogstijd: Nijmegen Frontstad

deel 1. 10 mei 1940: de inval

“Het is oorlog! Het zijn de moffen!”

“Toen men zich naar huis begaf, klonk uit de richting Berg en Dal het geluid van een ontploffing. (…) Met regelmatige tusschenpoos hielden de ontploffingen aan. (…) Wij poogden Berg en Dal telefonisch te bereiken: het ging niet meer. En langzaam brak het daglicht aan en een sterk aanzwellend gerucht werd hoorbaar, dat weldra onderkend kon worden als het geraas van vliegtuigmotoren. Op hetzelfde ogenblik klonken de eerste schoten. (…) En de lucht was als het ware verduisterd van vliegtuigen. Zoo was Nederland in den oorlog gekomen” (Journalist A. Lammerts van Bueren in zijn naoorlogs autobiografisch verslag,
zie A. Lammerts van Bueren, De verwoesting van een oude keizersstad: oorlogsrampen over Nijmegen 1940-1945 p. 47-48)
Op 10 mei 1940 verbrak Adolf Hitler de belofte dat hij de Nederlandse neutraliteit zou eerbiedigen. Om circa vier uur ’s morgens stak het Duitse leger op verschillende plaatsen de Nederlandse grens over, waaronder bij Beek. In het kader van de Duitse militaire operatie Fall Gelb moesten de Lage Landen ingenomen worden. De weg over de Duivelsberg bij Berg en Dal vormde één van de strategische punten binnen deze operatie. Met groot machtsvertoon stak het 10e korps van het Duitse leger de Nederlandse grens over. Via de Berg en Dalseweg en de Tooropstraat trok het Duitse leger vanuit het oosten Nijmegen binnen. En zo begon de Tweede Wereldoorlog voor Nederland onder andere bij Nijmegen.

“Een angstaanjagend gebrom verstoorde de stilte van de vroege morgen op 10 mei. (…) Op straat riepen de mensen: Het is oorlog! Het zijn de moffen!” (F.Daniëls in zijn dagboek,
in J. Raeven en Antoon Janssen, ‘Hengstdal in oorlogstijd’, in:
Een wijk van Nijmegen Oost. Dl. II Hengstdal p. 49)
Langzaam maar zeker begonnen de inwoners van Nijmegen te beseffen wat er aan de hand was, zoals de destijds 11-jarige Frans Daniëls optekende. Bij het binnentreden van Nijmegen-Oost deelden de marcherende Duitse soldaten – met “handgranaten tussen hun riem en geweren gevaarlijk vooruit” – pamfletten met tal van gebodsbepalingen uit aan de toegestroomde wijkbewoners.
Niet veel later volgde enkele zware ontploffingen elkaar kort. Diverse Nederlandse legereenheden hadden in en om Nijmegen enkele bruggen op strategische plaatsten tot ontploffing weten te brengen, om derhalve de Duitse opmars te vertragen of zelfs te voorkomen. Naast de belangrijkste brug, de Waalbrug, werden ook de spoorbruggen aan de Graafseweg en St. Annastraat en de bruggen over het Maas-Waalkanaal opgeblazen.
Ondertussen had het Nederlandse leger zijn stelling opgebouwd aan de overzijde van de Waal bij Lent. Vanuit bunkers bestookten zij het Duitse leger. Het Duitse leger probeerde op hun beurt weer een stelling op te bouwen aan de Batavierenweg, van waaruit zij het Nederlandse leger bij de bunkers in Lent konden beschieten. Het Nederlandse leger was helaas niet opgewassen tegen de Duitse overmacht en diende al snel zijn stellingen te verlaten.

Toen de avond was gevallen, waren overal in Nijmegen pamfletten met gebodsbepalingen aangeplakt. Men mocht bijvoorbeeld niet meer na acht uur ’s avond over straat en alle mannen tot 35 jaar dienden zich te melden bij de Duitse autoriteit.
Behoudens de opgeblazen bruggen, ontzette gebouwen nabij de bruggen en wat algemene glasschade was de schade in Nijmegen vooralsnog beperkt gebleven. Maar de Duitse waren gekomen om te blijven en op de St. Annastraat nummer 141 hadden zij hun hoofdkwartier gevestigd. Nijmegen bleef vijf jaren bezet en was in deze periode in de ogen van de Duitsers, zoals de Duitse hoofdcommandant Wentzel in een gesprek met de Nijmeegse burgermeester Steinweg verkondigde, “eine alte, schöne Deutsche Stadt.” Nijmegen was bezet, als eerste stad van Nederland.

Geschreven door Pascal de Bruin


Oorlogstijd in het domincanenklooster Albertinum, Heyendaalseweg 121

Uit het Bulletin – OP, jaargang 30, nr 1, januari 1995, blz 177albertinum

[Binnentuin Albertinum] Op januari 1942 eiste de Duitse bezetter het gebouw op. Binnen 2 dagen moest het leeg zijn. Met man en macht werd er verhuisd, zelfs met behulp van paard en wagen. Alles ging naar het St. Dominicuscollege, waarvan de jongens naar huis werden gestuurd.

Vanaf augustus 1943 diende het als ‘legeringsgebouw van het Directoraat Generaal van de politie’. Hierdoor werd het gebouw goed hersteld en ingericht.

In september 1944, na de bevrijding van Nijmegen, werd het opengesteld voor vluchtelingen vanuit de stad, vooral vanuit de benedenstad. Ook het protestantse Wilhelmina Ziekenhuis vond hier een toevluchtsoord, alsook een 30-tal zusters van de Dominicanenstraat. Tenslotte kwam in de nacht van 4 op 5 december de Heldringstichting uit Zetten met 300 mensen binnenvallen; ze vonden een plek in de bibliotheek en op de bibliotheekzolder. Op een gegeven ogenblik waren er 1500 mensen in het Albertinum gehuisvest. In de paterskamers woonden 8 à 10 mensen, in de half-zo-grote kamers van fraters en jonge paters 4 tot 5. Het was dan ook vaak een bende, een chaos. In de kapel werden, ondanks het verzet van de deken van Nijmegen, ook protestantse diensten gehouden. Geleidelijk kwamen de paters weer terug. Met de komst van de Prior, Pater Hillen o.p., in de zomer van 1945 kon de terugkeer van de hele communiteit van 130 personen tegemoet worden gezien. Op 1 oktober 1945 was de start van het nieuwe studiejaar.

Bewerking Anton van der Meer


Oorlogsdagboek van Gérard Knipping
knipping_01

Dit oorlogsdagboek beslaat 6 dagen: van 17 september tot en met 22 september 1944, ten tijde van de operatie ‘Market Garden’. Het is geschreven door de 20 jarige kweekschoolleerling, Gérard Knipping, die toen in de Dominicanenstraat op nummer 13 woonde. Het is een ooggetuigenverslag van wat zich in die dagen in de wijk afspeelde, oorspronkelijk haastig neergekrabbeld in een zakagenda en later uitgetypt. Meneer Knipping heeft in de vijftiger jaren een uitgebreid verslag geschreven over deze periode tot en met de officiële bevrijding op 10 mei 1945.

Donderdagmorgen 21 september
Het is donderdagmorgen 7 uur.
Voor het eerst vanmorgen sedert drie dagen heb ik weer een H. Mis bijgewoond.
De Heijdenrijckstraat brandt nog. Ieder is in de weer om te redden en…..ieder loopt elkaar in de weg. Onze hulp kan dus wel eventjes gemist worden.
Als wij om 6 uur uit de H. Mis komen, horen wij dat…..ja, zou het waar zijn…
…..dat de stad bevrijd is!!!!!!!!!
Wij kunnen onze oren niet geloven.
In het Kronenburgerpark moet nog verwoed gevochten worden om de stad van de laatste Duitsers te zuiveren.
Vrij!     Vrij!     Vrij!
Wij kunnen het ons haast niet indenken….vrij!
En de halve stad brandt nog!!!
Overal waar je van boven uit een dakraampje kijkt, zie je dikke vette rookwolken optrekken. Een rode vuurgloed hangt boven de stad.
Vrij !
En de mensen rondom ons heen klagen dat zij geen huis, geen meubilair, geen kleren dan die zij aan hebben meer bezitten.
Vrij !
En de granaten suizen over de stad, suizen zelfs vlak over ons heen en slaan rondom in; toch zijn wij vrij!
Vrij, want wij hopen niet meer te zeggen: “Pas op dat de Duitsers of hun handlangers het niet horen !”
Vrij, want er verschijnt geen lijst meer van gevonniste stadgenoten, vrij van deportaties, oproepen, onderduiken, arbeidsdienst, concentratiekampen, gevangenissen, roof, plundering, inbeslagnamen van kloosters, scholen, huizen, inrichtingen, enz.
En hoe meer ik hier de vrijheid, dat woordje ‘VRIJ”, die drie kleine letters V R I J waardeer, hoe meer ik medelijden krijg met die arme mensen die nog zuchten in het bezet gebied. De arme kerels, waarvan ik er zoveel ken, In Duitsland, die mannen in gevangenschap.
Ik denk aan hen die hun leven gaven voor de bevrijding van hun vaderland, aan hen die nog vechten voor de bevrijding van Nederland.
Wij zijn dus vrij ? !
o, dus kan ik mijn verkennersuniform aantrekken ! Maar dan ook meteeen.
Ik ga naar mijn tweede toevluchtsoord en verschijn dan samen met T. in uniform van V.T. aan het ontbijt. De familie B. hangt de vlag uit. Is dit eigenlijk wel goed?
Dertig meter verder laaien de vlammen hoog op en lopen daklozen hun weinige inboedel bij elkaar te zoeken en wij hangen de vlag uit.
ja maar…..wij zijn toch vrij !
Wij zijn weer vrij Nederland !
Na het ontbijt ga ik op zoek naar een fiets en peddel ik zo hard ik kan naar Zuid-Nijmegen om te vertellen dat ook wij vrij zijn.
Onderweg kom ik talloze uniformen tegen, alles in volle bedrijvigheid om die drie letters: “V R I J “.
Het is werkelijk een heerlijk gezicht om al deze dierbare uniformen weer terug te zien. Zo maar in uniform over straat lopen, zonder daar overheen het burgerpak met daarover een lange broek met een stropdasje.
Het is mijn eerste tocht door de stad; drie dagen zaten wij binnen omdat het onveilig was en vier dagen konden wij er niet uit komen omdat er gevochten werd.
Nu kom ik er doorheen, maar werkelijk, het aanschijn der stad is veranderd.

Wáár je kijkt, vóór je, achter je, links en rechts, instortende en zelfs nog brandende huizen. Hier en daar ligt het puin dwars over de straat. Langs de weg, o.a. in het Hunnerpark bij het Canisius standbeeld liggen de lijken van gesneuvelde soldaten. Achteloos rijden de tanks over de puinhopen. Zij rijden door parken en plantsoenen waarin het voor mei 1940 verboden was met een kinderwagen te rijden.
Links zie ik daar het uitgebrande klooster van de Broeders en rechts het uitgestorven Valkhof, “de”vesting van waaruit de Duitsers drie dagen nachten Nijmegen bestookt hebben met de beruchte zware artillerie-granaten.

Als ik door deze verwoeste stad loop, wordt de aandacht telkens weer door iets anders getrokken. Kijk, daar woonde die en daar die. Terwijl je rondkijkt moet je goed rondom je heen en naar de grond kijken om je nek en je benen niet te breken over de brokken en bergen stenen en afgebroken draden en palen van de electrische tram.

Eindelijk komen wij in de buurt van de Klokkenberg en naarmate wij dit gebouw naderen, komen uit verschillende, ook al weer afgebrande straten, meer en meer uniformen voor de dag. Na de bijeenkomst ga ik een kistje vuurwapenen ophalen.

Volledige tekst oorlogsdagboek(PDF)knipping_84

 

 

 

 


 Oorlogstijd: Oorlogsdagboek pater Sybrand Galema O.F.M.

Oorlogsdagboek van pater Sybrand Galema O.F.M. van 17 september 1944 tot 17 maart 1945 in het Franciscanenklooster in de Vermeerstraat 7 te Nijmegen.

In 1928 bouwden de Franciscanen een studieklooster aan de Vermeerstraat in Nijmegen. In de granatentijd aan het eind van de oorlog lag Nijmegen Oost in de vuurlinie: Duitse troepen in de Ooypolder beschoten de geallieerde legermacht die zich in Nijmegen Oost had samengetrokken om zich voor te bereiden op de beslissende aanval op Duitsland.
In deze granatentijd werden vele huizen beschadigd, veel getroffen burgers vonden onderdak in de kelders van het klooster.

Zie ook het boek “Een klooster in de straat” dat ter gelegenheid van het 75-jarig bestaan van het klooster Bonaventura in de Vermeerstraat verschenen is. Hierin staan onder meer: portretten van bewoners van het klooster en het verhaal van de schuilkelders in het klooster in het laatste oorlogsjaar. Auteur: Brigitte Weusten. Prijs: € 17,50.

Pater Galema maakte van die tijd in zijn dagboek aantekeningen. Het dagboek ligt in het archief van de Paters Franciscanen. In 1988 is dit dagboek bewerkt door drs. G.J. van Dam, die een aantal bladzijden gekopieerd heeft en van de rest een samenvatting heeft gemaakt. Hij heeft een toelichting geschreven, en behandelt ook het dagboek van Gérard Knipping (elders op deze site) die in dezelfde periode ook over Nijmegen Oost schreef.

Toegevoegd zijn een aantal foto’s met bijschrift – grofkorrelig gefotokopieerd.

Hier een voorbeeld uit het dagboek:

Dinsdag 5 december 1944

Vannacht om 12 uur volgens Bon (= pater Bonfilius Knipping, redactie) en Geb (= pater Gebhardt Voorveld, redactie) twee maal een salvo van 16 pantsergranaten. Om 6 uur een flinke. Daarna tamelijk rustig. Reuze Sinterklaas gevierd. Onvergetelijk. 6.30 voor de kleinen: P. Sybran en Piet Mol. Angstige gezichtjes. Jan de Blank zou in de zak, maar hij schreeuwde als werd hij gekeeld. P.Pompen vertelt over Santa Claus en Christmastree aan de Engelse militiairen, die eigenlijk niet welkom waren onder de avondwijding. 8.15 Sinterklaas voor de groten. Driessen en de komiekelijke vader Funneman. Speculaas van Preisser, uitmuntend. Aardige geschenkjes en gedichtjes. Geb hield een inleiding over de Dardanellen en de kaap van “Wie brult daar”(Gibraltar). Wittebrood met zalm, appels, verloting etc. Reuze voldaan over de “priesters”. Nog nooit zo plezierig S.N. gevierd.

Wilt U dit dagboek inzien? Even een mailtje naar het contactadres van de wijkwerkgroep geschiedenis: v.c.loth@xmsnet.nl


granatentijd_heading

 

Inleiding
Nijmegen had als frontstad veel te verduren. Dat geldt zeker voor het stadsdeel Nijmegen Oost dat letterlijk in de vuurlinie lag. Dit komt goed naar voren in de notulen en jaarverslagen uit die periode van de arbeidersbouwvereniging De Gezonde Woning (DGW). De Gezonde Woning was een vereniging van (vak)arbeiders, die woningen bouwde voor haar leden en andere arbeiders. Zij bouwde onder andere het Rode Dorp. De jaarverslagen laten goed zien wat voor een verwoestend effect de oorlog had op het woningbestand van DGW. Ter aanvulling heb ik ook gebruik gemaakt van het jubileumboek, over woningbouwvereniging De Gemeenschap geschreven door P. Derksen. De Gemeenschap was net als de Gezonde Woning een vereniging die bouwde voor haar leden. Omdat deze vaak werkzaam waren bij de Nederlandse Spoor- en Tramwegen, werd dit wijkje de Spoorbuurt genoemd.

Thea Weijers januari 2010

1943
Tijdens de oorlog kampten de woningbouwverenigingen met twee aan elkaar gerelateerde problemen. Ten eerste waren er veel woningen beschadigd, door bommen en granaten of door brand. Ten tweede waren als gevolg daarvan veel gezinnen dakloos die noodgedwongen bij andere gezinnen werden ondergebracht. In haar jaarverslag van 1943 klaagt De Gezonde Woning (DGW) hierover haar nood. “(…) het bestuur blijft bij zijn standpunt, dat samenwonen uit den booze is, door het groote gebrek aan woningen, dat, met het voortschrijden den oorlogstoestand steeds nijpender wordt, achtte het bestuur zich verplicht, het ingenomen standpunt tijdelijk los te laten, en in verschillende gevallen hiervoor toestemming te verleenen, waaraan dan bepaalde voorwaarden werden verbonden.”
Herstel van beschadigde woningen was vaak moeilijk omdat allerlei materialen ontbraken. Ruilhandel leverde soms toch een oplossing. Op 21 juli 1943 schrijft de secretaris van De Gemeenschap aan DGW dat zij behoefte hebben aan 200 basaltine tegels, zou het bestuur die niet aan hen willen overdoen? Met uiteraard het aanbod van een wederdienst. Op 27 juli antwoordt secretaris van Hinsbergen van DGW dat men gaarne bereid is de tegels over te doen. Zelf zitten ze zeer verlegen om enkele closetpotten “en wij vernamen dat Uw bestuur hierin nogal gesorteerd is”. (Derksen, p.17)

1944 het bombardement
Het bombardement van februari 1944 deed de situatie nog verder verslechteren. Door de (nationaal-socialistische) overheid werd inwoning verplicht gesteld. Het totale woningbestand van De Gemeenschap werd doorgelicht en er werd ruimte gecreëerd door gezinnen in woningen samen te voegen. Dit overkomt ook DGW.
In het jaarverslag van 1944 schrijft het bestuur van De Gezonde Woning het volgende. “22 Februari trof onze stad een bombardement hetwelk een ravage aanrichtte in haar centrum, die in de geschiedenis haar weerga niet zal hebben. Weliswaar bleven onze woningcomplexen gespaard, maar toch werden hierdoor een aantal gezinnen onzer leden in diepen rouw gewikkeld, daar er onder hen verschillende waren, die een of meer dooden te betreuren hadden. Door de vernieling van een groot aantal woningen in het getroffen stadsdeel werden ’n groot aantal gezinnen van hun huisvesting beroofd en moest van overheidswege worden gezorgd dat er woonruimte voor deze menschen ter beschikking kwam.” Het bestuur probeert dit te doen met zomin mogelijk leed voor haar bewoners. Alleenwonende weduwen werden verwezen naar een kleinere woning of aangeraden bij haar kinderen in te trekken. Dit bood enig soelaas maar spoedig bleek het niet voldoende. Evenals bij De Gemeenschap waren in de wijken van DGW mensen van de gemeente aan het werk om “woonruimte en gezinssterkte op te nemen”. Diverse bewoners kregen een bevel tot ontruiming. Een beslissing waar het bestuur van DGW niet in werd gekend. Bij de toewijzing werden volgens het bestuur rare normen gehanteerd, woningen werden ontruimd ten behoeve van gezinnen van gelijke grootte of van gezinnen die helemaal niet door het bombardement waren getroffen. Men constateert: “partijpolitiek bleek hieraan niet vreemd”. Maar na een scherp protest mocht het bestuur toch weer zelf besluiten welke woningen werden gevorderd.

De politieke situatie was destijds voor beide verenigingen complex. Enerzijds protesteerde men tegen sommige maatregelen, anderzijds probeerde men zo weinig mogelijk aandacht op zichzelf te vestigen. Uit angst overgenomen te worden door een NSB-bestuur besloot DGW geen formele vergaderingen meer te houden, want daarvoor diende men toestemming te vragen. De Gemeenschap kampte met hetzelfde probleem, hoewel zij wel toestemming kregen voor een vergadering in 1941, maar: “Onderwerpen van politieken aard mogen niet worden besproken.” In 1943 moest de heer Reijnen, die vanuit de gemeente zowel bij De Gemeenschap als De Gezonde Woning gedelegeerd lid van de Raad van Commissarissen was, onderduiken. Bij De Gemeenschap werd toen W. Takes, lid van de NSB, als gemeentelijk gedelegeerde geïnstalleerd. Omdat men niet met een NSB-er wilde vergaderen besloot ook De Gemeenschap geen formele vergaderingen meer te beleggen. (Derksen p.18) Bij DGW wordt geen vermelding gemaakt van Takes.

1944 Bevrijding
Najaar 1944 was de vreugde over de bevrijding groot maar de landing van de parachutetroepen ging gepaard met beschietingen en bommen; het bestuur van DGW stelt vast “dat wij een oorlogsterrein waren geworden”. Vele woningen in Nijmegen Oost raakten beschadigd. Bij De Gemeenschap werden 10 woningen onherstelbaar en vele woningen fors beschadigd. Ook woningen van DGW liepen schade op, vooral door het granaatvuur en door wanhoopacties van de Duitsers. “Des nachts lieten de Duitschers, gelegerd in de omgeving van onze wooncomplexen, al hun munitie in de lucht vliegen. Dit had tengevolge, dat van een groot aantal onzer woningen geen ruit meer heel was en veel dakbedekking van zijn plaats of stuk was (…).” De bestuursleden besloten zich zoveel mogelijk van hun werk vrij te maken zodat ze alle tijd konden besteden aan het oplossen van de problemen. Bewoners moesten onder een veilig dak worden gebracht en dat gold ook voor de arbeiders die werden aangetrokken om de enorme ravage te herstellen.
Zowel bij de Gemeenschap als bij DGW werd het probleem van schaarse woonruimte deels opgelost doordat NSB-gezinnen en Rijksduitsers op de vlucht waren geslagen en lege woningen achterlieten. Maar dat bracht weer andere problemen met zich mee. Immers, niet iedereen was bereid op een beslissing van de besturen te wachten en ‘onbevoegden’ trachtten zich toegang tot de woningen te verschaffen. Het bestuur van DGW wees de woningen en achtergebleven huisraad zoveel mogelijk toe aan mensen die zelf alles waren kwijtgeraakt. Dit was een voorlopige beslissing. Later als het weer rustig was diende alles maar beter uitgezocht te worden. Om die reden werden inventarisstaten gemaakt in drievoud: een exemplaar voor de gemeente, ondertekend door de nieuwe bewoner, een voor de voorlopige bewoner die voor alles verantwoordelijk bleef en een exemplaar voor het bestuur.
In de periode dat de Duitsers nog niet echt verdreven waren werden ‘s nacht woningen in brand gestoken. Het DGW bestuur besloot dan ook om per straat een bewakingsdienst van bewoners in te stellen, “met het doel zoo noodig elkander direct behulpzaam te kunnen zijn, en uit te zien, dat er niet uit de huizen van hun medeburgers werd geroofd, daar tal van bewoners naar veiliger oorden waren gevlucht, wier huizen door de geleden glasschade direct betreden konden worden”. Gelukkig kwam oud-voorzitter Hummeling de vereniging tegemoet. Hummeling was politieagent en bood aan dat enkele van zijn collega’s een wachtpost zouden instellen die werd gehuisvest in de schoenfabriek Nimco.

De maandag direct na de inval van de geallieerde troepen werd al een begin gemaakt met de herstelwerkzaamheden. Met 23 man personeel werd begonnen, hoewel “met horten en stooten, daar granaatvuur menigmaal niet van de lucht was.(…) Al spoedig kregen onze woningen dan ook weder een ander aanzien en had het noodwendig aangebrachte carton, door glas vervangen kunnen worden, en zou de aangebrachte schade weer spoedig vergeten zijn geweest.”
Helaas was het van korte duur. “Op 2 december kwamen onze woningen zoodanig onder granaatvuur der Duitschers te liggen, dat onafgebroken 54 uur aan een stuk duurde, dat veel van het reeds herstelde weder geheel vernield werd, en zoodanige nieuwe schade werd aangericht dat wij eenige oogenblikken de moed lieten zakken. 36 Woningen totaal onbewoonbaar (…)”. Er was geen woning meer die geen schade had opgelopen. “Nergens lag nog een dakpan op zijn plaats en wat nog aan glas heel was, bleek nu ook stuk te zijn. Onmiddellijk werd echter weder aangepakt om nog meer schade te voorkomen en voor de bewoners aan huisraad te redden wat er nog te redden was. Getracht werd dan ook de woningen zoo spoedig mogelijk weer pandicht te krijgen. Opnieuw werden besprekingen gevoerd om te voorzien in het noodige materiaal. Wel kregen wij hiervoor spoedig bonnen toegewezen, maar toen stuitten wij weder op vervoermoeilijkheden. Na zeer veel moeite mocht het ons gelukken de medewerking te verkrijgen van bevoegde Engelsche autoriteiten, welke zoo bereidwillig waren een auto met chauffeur kosteloos ter onzer beschikking te stellen voor den aanvoer van de benoodigde pannen uit Druten en Deest. Ook vanaf deze plaats brengen wij hun hiervoor een hartelijk woord van dank.”

1945
Met de bevrijding was de ellende nog niet voorbij. “Met de herstelwerkzaamheden hiervan (de muren in de slaapkamers, TW) werd dan ook zooveel mogelijk doorgegaan, en wij schoten hiermede al aardig op, toen zaterdag voor Pinksteren ons ’n nieuwe ramp trof, welke aan onze woningen nog grooter schade aanrichtte dan het oorlogsgeweld zelf. De munitie-opslagplaats, gelegen achter de Tuchtschool, geraakte door een onbekende oorzaak in brand en de daaruit voortvloeiende ontploffingen veroorzaakte zoowel in onze oude als nieuwe woningcomplexen, een ware ravage. Herstelwerkzaamheden welke reeds waren verricht, bleken wederom verwoest te zijn en het aantal slaapkamermuren hetwelk door de luchtdruk was omgevallen was groter dan ooit te voren. Ook was de aangebrachte nooddichting, die moeizaam was aangebracht en veel geld had gekost, weder geheel vernield. Van de dakbedekking was vooral in het ‘Roode Dorp’ geen pan meer op zijn plaats, terwijl ook onze nieuwe woningen ditmaal zeer veel te lijden hadden. Onze herstelwerkzaamheden, waarmede wij al aardig in de goede richting kwamen bleken tevergeefs te zijn geschied en het werk moest weer van voren af aan worden aangepakt.” Wederom ging men niet bij de pakken neerzitten. De aanvoer van nieuwe materialen werd weer georganiseerd.

Wederopbouw
In de jaren na de oorlog blijft het herstel van de oorlogsschade de aandacht opeisen, maar DGW begint ondanks de problemen met materiaalaanvoer ook met de bouw van nieuwe woningen, een plan dat al voor de oorlog was ontwikkeld, en waaraan men ook in de eerste jaren van de oorlog nog had gewerkt. In 1943 was men nog vol goede moed gaan kijken naar woningen van zusterverenigingen in het land “waarin warmwatervoorziening en douche zijn aangebracht en andere technische mogelijkheden zijn benut.” Al vanaf de oprichting was DGW zeer gespitst op nieuwe technische toepassingen: “…de woningen welke hier in de toekomst gebouwd zullen worden, moeten kunnen voldoen aan de alleszins billijke eischen waaraan de arbeidersklasse behoefte heeft, en dat hierbij alle technische mogelijkheden welke de laatste jaren geschapen zijn, uitgebuit dienen te worden.”
Na de oorlog wordt snel begonnen met de uitvoering van de plannen. In 1947 begint met DGW met de bouw van een honderdtal nieuwe woningen. Tevens wordt een plan ontwikkeld voor nog een nieuw complex, maar dat zal anders van opzet zijn. Er is immers een grote behoefte aan kleine woningen “mede om zo spoedig mogelijk te ontkomen aan de onsociale toestanden inzake het bij elkaar inwonen”. De oorlog blijft echter parten spelen. “Het terrein (tussen Hengstdal en Postweg TW), hetwelk ons voor dit doel beschikbaar is gesteld, is in de oorlogsjaren, toen er geen voldoende vervoermiddelen waren en er in de binnenstad veel puin geruimd moest worden, gebruikt als stortplaats, zodat wij ons tot het gemeentebestuur hebben gewend, met het verzoek de als stortplaats gebruikte kuil op gemeentekosten weder vrij van puin te maken, daar het onmogelijk is hierop in de huidige situatie te kunnen bouwen.”

Gedurende de jaren vijftig normaliseerde de situatie geleidelijk en werden de complexen van DGW verder afgebouwd. Om de grootschalige bouw in de jaren daarna mogelijk te maken gingen de woningbouwverenigingen steeds meer samenwerken en fuseren. De Gezonde Woning ging uiteindelijk op in Standvast Wonen. De Gemeenschap is zelfstandig gebleven. Beide verenigingen zijn nog actief in Nijmegen Oost. Alle opknapbeurten ten spijt hebben de woningen van het Rode Dorp de tand des tijds niet kunnen doorstaan. Vanaf 1997 zijn ze geleidelijk gesloopt en vervangen door nieuwbouw. De Spoorbuurt bestaat nog steeds.

Bronnen:
Notulen en jaarverslagen van arbeidersbouwvereniging De Gezonde Woning, Regionaal Archief Nijmegen, archiefnummer 131; Peter Derksen (1996), 75 jaar Wbs. “De Gemeenschap”, Nijmegen: De Gemeenschap.


Oorlogstijd: Fotomateriaal

batavierenweg_18091944

Batavierenweg 18 september 1944barbarossa44

 

Barbarossastraat – 1944

1944-granaatinslag_pb12

Granaatinslag Pater Brugmanstraat 12 – 1944


MAY WE NEVER FORGET!

In December 1944, Nijmegen is bevrijd maar ligt nog midden in de frontlinie, ontmoet Tonny Jacobs soldaat Arne Arneson. Jaren later gaat Arne naar Tonny op zoek.

Arne Arneson en The Calgary Highlanders
Het is begin december 1944. Canadees Arne Arneson is met de 5e brigade van de 2e divisie van The Calgary Highlanders gelegerd in de regio Nijmegen. Hij is 22 jaar en heeft sinds de landing op 6 juli in Normandië met het Canadese leger een lange weg afgelegd. Op verschillende plaatsen hebben ze felle strijd moeten leveren. Sinds 10 november ligt hij met zijn divisie in de regio Nijmegen. De stad is bevrijd, maar zit nog midden in de frontlinie. Vrijwel dagelijks vuren Duitsers granaten af vanaf de overzijde van de Waal. Ondertussen wordt het Rijk van Nijmegen opgevuld met steeds meer militairen. Zonder dat de Duitsers het merken, verzamelen zich bijna 500.000 militairen die zich opmaken voor het grote Rijnlandoffensief. Nijmegen wordt een belegerde stad. (Zie:Nijmegen Frontstad: de Canadezen lossen de Amerikanen af)

Ondertussen heeft de divisie van Arne de taak om het frontgebied rond Groesbeek en later ook Berg en Dal te behouden. Het is winter en het is bitterkoud, modderig en nat. Er ligt vaak sneeuw. De positie die de militairen moeten bewaken, herinnert hen aan de verhalen over de loopgraven in de vorige oorlog. De omstandigheden zijn ellendig. Een groot deel van de dag bestaat uit patrouilleren. De soldaten kruipen door de bossen. Elke foute beweging die ze maken, doet krakend een takje breken of bladeren ritselen en verraadt hun aanwezigheid. De Duitsers zitten vlakbij, elk geluid laat snel een spervuur ontstaan. Er liggen veel mijnen en ze horen mortiervuur en schieten. De lange nachten bestaan uit het turen over de rand van de loopgraaf in een donker, zwart woud. Bij elk geluid vragen ze zich af wat het is. Angstig wachten ze het ochtendgloren af.

Tonny en ‘restcenter’ Café Jacobs

jacobs_01

Ton en Iet Jacobs voor voormalig Café Jacobs

Begin december 1944 is Tonny net acht jaar. Zijn vader is de eigenaar van Café Jacobs (nu café De Shuffle) bovenaan de Berg en Dalseweg, ter hoogte van het huidige Canisius-Mater Dei College. Voor de bevrijding was het café gevorderd door de Duitsers. Nu, na het vertrek van de Duitsers, doet het dienst als ‘restcenter’ voor de Engelse en Canadese bevrijders om te rusten en te ontspannen. In het café komen soldaten die twee weken aan de frontlinie zijn geweest en in het schoolgebouw Mater Dei kunnen bijkomen. Het schoolgebouw ligt tegenover het café en is in 1944 tijdelijk gesloten en in gebruik genomen door de geallieerden.

In de grote achterzaal van het café worden films vertoond en soms is er bier, dat de soldaten zelf meebrengen uit Duitsland. De militairen hebben veel spullen, sigaretten, snoep, van alles. Tonny hangt als jonge jongen altijd bij hen rond. Hij en zijn vriendjes zijn ook vaak aan de overkant in Mater Dei, waar veel militairen gelegerd zijn. Daar is iets te beleven en … er is iets te halen.

Ontmoeting
Het is hier in Mater Dei dat Tonny Jacobs en Arne Arneson elkaar tegen komen. Arne Arneson over hun eerste ontmoeting “We hadden onze eerste warme maaltijd sinds tijden: vlees, jus en een stukje rozijnentaart. We aten meestal voedsel uit blik. Ik had geen zakmes en dus vroeg ik een van de andere soldaten of zij een mes hadden. Er stond een kleine blonde jongen en die zei: “you can have mine”. “De jongen zag er hongerig uit, maar moest overtuigd worden om een stuk taart en een blik met kaas aan te nemen. Dit was in december 1944. De jongen had Engels geleerd van Airborne soldaten die eerder dat jaar geland waren.” De jongen is Tonny Jacobs. “De volgende dag kwam hij terug om zijn mes terug te krijgen. Hij zei dat zijn vader en moeder mij bedankten voor de taart en kaas en mij wilden ontmoeten.” Dus gaat Arne Arneson naar het huis van Tonny achter het café en wordt voorgesteld aan zijn vader, moeder en zussen. In de periode daarna stoppen hij en enkele andere Canadese soldaten bijna elke dag bij het café en brengen tijd door met de familie.

jacobs_02

Grote betekenis
Arne raakt bevriend met de familie. Hij ziet kans om hen aan wat extra voedsel van het leger te helpen, aan kaas, vlees, van alles. “Tezamen met de rest van de Nederlanders had de familie erg weinig in die dagen. We brachten legerkost voor hen mee, want Nederland had een groot tekort aan eten.” En de familie Jacobs nam het met grote dankbaarheid aan. Dat wat overbleef, deelden ze met de buurt.

Tonny Jacobs en Arne Arneson
Als Arne met zijn divisie verder moet, geeft moeder Jacobs hem een foto van Tonny mee uit een foto-album. Tonny schrijft zelf zijn naam achterop. Na een tijd komt Arne gewond in een ziekenhuis in Frankrijk terecht met alleen de foto van de jongen en zijn naam en souvenirs. In het ziekenhuis krijgt hij nog één keer bericht van moeder Jacobs. Sindsdien is het contact verloren…

jacobs_03Op zoek
Na het einde van de oorlog, terug in Canada, vestigt Arne zich in het plaatsje Prince Rupert. Daar leert hij een Nederlander kennen, Harry Scholten, die in 1952 vanuit Baarn samen met zijn vrouw Mia van den Bergh naar Canada was ge235;migreerd. Mia had een verzetsherdenkingskruis gekregen voor haar verzetswerkzaamheden in Oss. Ze spreken regelmatig over de oorlog.
Arne vertelt aan Harry dat hij in 1944 in Nijmegen een kleine Nederlandse jongen had ontmoet die heel goed Engels sprak en altijd om dingen vroeg. Arne laat Harry de foto van Tonny zien die hij nog steeds zorgvuldig bewaart. Ooit wil hij uitvinden hoe en waar Tonny nu is. Na de oorlog is Arneson een aantal keren terug geweest naar Europa, de laatste keer in 1984. Het lukte echter niet de jongen en zijn familie te vinden. Het enige dat hij weet is dat de familie een restaurant bezat in Nijmegen, maar de achternaam Jacobs komt erg veel voor. Toen hij twee bladzijden met ‘Jacobs’ in het telefoonboek zag, gaf hij de moed op.
Eind april 1995 gaat Harry Scholten naar familie in Oss voor de herdenking van 50 jaar bevrijding van Nederland. De Arnesons hadden overwogen om mee te gaan met de veteran’s flight maar helaas laat Arne’s gezondheid dat niet toe. De wens om Tonny te vinden is echter nog even sterk en Arne vraagt aan Harry of hij wil proberen Tonny te vinden. Harry krijgt de foto uit 1945 van Tonny mee en een foto van Arne zelf.
Harry schrijft een brief aan TV-programma Spoorloos. Eind april 1995 heeft dat nog niets opgeleverd. In Nederland aangekomen, bezoekt hij het stadsarchief van Nijmegen en legt daar zijn vraag voor aan een medewerkster van het archief, Helga van de Water.

jacobs_04Hervonden
Harry hoeft niet lang te wachten: na twintig minuten zoeken, komt Helga van de Water terug en meldt dat ze Tonny al aan de telefoon heeft gehad. Tonny is hoogst verbaasd dat een man uit Canada naar hem op zoek is en zijn jeugdfoto heeft. Hijzelf kan zich Arne niet persoonlijk herinneren. In ’44 was hij nog jong en er kwamen veel militairen in het caf#&233;. En na de oorlog ging het leven verder. Maar Tonny vindt het heel bijzonder dat een soldaat uit de oorlog naar hem op zoek is. Hij is erg nieuwsgierig om te weten waarom deze man uit Canada zijn foto 50 jaar lang met zich heeft rondgedragen. Dezelfde dag nog belt hij Arne. Die kan zijn oren niet geloven. Eindelijk heeft hij de kleine jongen van 50 jaar geleden hervonden. De jongen met wie het contact met hem en zijn familie in die ellendige oorlogstijd van zo’n grote betekenis was voor Arne. En voor Tonny? Voor Tonny vertegenwoordigt Arne àl de moedige bevrijders.

Brieven en dankbaarheid
Na het telefoontje houden Arne, Tonny en Harry Scholten contact. Ze schrijven brieven naar elkaar en wisselen krantenartikelen uit waarin over de hereniging wordt geschreven. ‘Tonny is een hele celebrity hier in de stad en we horen van alle kanten uitroepen van verbazing dat jullie na 50 jaar elkaar toch weer hebben gevonden.’ Zo schrijft Harry Scholten in een brief aan Tonny. Ook wisselen ze informatie uit over herdenkingen en reunies. De van oorsprong Nederlandse bevolking organiseert in die tijd in Canada veel bijeenkomsten voor Canadese veteranen om dankbaarheid te tonen voor wat zij in de oorlog hebben gedaan. Ook Tonny en Iet Jacobs doet het vandaag de dag nog steeds veel als ze praten over wat de bevrijders en de Canadezen voor de Nederlanders hebben gedaan. In een brief aan Harry schrijft Tonny in hoofdletters: NEDERLAND IS HEN NOG STEEDS DANKBAAR!

jacobs_05

Tonny en zijn vrouw Iet willen Arne graag opzoeken. Door hun zaak (slijterij Jacobs aan de Van Heutszstraat) kunnen ze echter niet weg. En al lang geleden hebben ze een grote reis met hun zeilboot gepland voor het moment dat ze met hun zaak ophouden. Zes jaar gaan ze met de boot op reis en het bezoek aan Arne blijft op hun verlanglijst staan. Zo ver zal het echter niet komen. In 1999 ontvangt Tonny een brief van Harry dat Arne Arneson eind april 1999 is overleden. Arne sprak veel over jullie en koesterde altijd nog de hoop jullie eens persoonlijk te ontmoeten.

Uit het oog, maar niet uit het hart
Na het overlijden van Arne blijft het contact tussen de families bestaan. Tonny, Harry, de vrouw van Arne en zijn zoon blijven elkaar schrijven. Inmiddels zijn de vrouw van Arne en Harry en zijn vrouw overleden, maar Tonny heeft nog steeds contact met Arne’s zoon.
Tonny heeft de intentie om alle correspondentie en krantenartikelen aan het Bevrijdingsmuseum in Groesbeek te geven als een goed voorbeeld van hoe dingen verliepen na de oorlog. Een deel van de collectie van het museum bestaat uit allerlei soorten correspondentie tussen de bevrijders en Nederlanders, bijvoorbeeld met hun nieuw gevonden liefdes. De zoon en vrouw van Arne Arneson vonden dit een geweldig idee. Samen met Arne hebben zij dit museum jaren geleden bezocht. Arne deelde daar enkele verhalen uit de oorlog met zijn zoon.
Zoals het verhaal van zijn ontmoeting met Tonny Jacobs…
Het materiaal van Ton Jacobs is in 2014 bewerkt door Caroline Majoie.

Bronnen:
Correspondentie tussen Ton en Iet Jacobs, Harry en Mia Scholten, Arne en Mary Arneson van 29 april 1995 t/m 25 november 2009

Calgary Highlanders: Overviewl
Calgary Highlanders: A Company
Calgary Highlanders: B Company
Calgary Highlanders: Battle Honours
Calgary Highlanders: weather
Ton en Iet Jacobs

– De Krant, Het bleek net genoeg te zijn, July 25 1995
– Prince Rupert This Week, Old war friends re-acquainted, June 4, 1995
– Roosendaal, J., Nijmegen ’44, Verwoesting, verdriet en verwerking, Nijmegen 2009
– Super Sleuth, 50 years later