Gesprek met Joop Puijn, de cafebaas van ‘t Haantje.

jooppuijnNet als zijn vader Piet en moeder An en broer Piet, runt nu Joop Puijn het familiebedrijf.
‘Als ik Nijmegen via de Waalbrug binnenrijd, weet ik: dit is mijn thuis. Nijmegen kan niet zonder de Waalbrug,’ zegt Joop Puijn (1950). Zijn familie runt al sedert 1957 het bruine café ’t Haantje aan het begin van de Daalseweg. Puijns geschiedenis ligt in Nijmegen, en daarom is hij een geschikt persoon om over de wijkgeschiedenis van Nijmegen-Oost te vertellen. Dat praten gaat hem ook makkelijk af. Bij binnenkomst in het café toont hij direct een zwart-wit foto waarop de Daalseweg is vastgelegd. Op het gefotografeerde straatbeeld is nog geen auto te zien. Maar ook zonder de foto is het gemakkelijk om je in vroegere tijden te wanen. Ten eerste is daar Joop Puijn die al vanaf 1970 achter de bar staat. Voor de ramen hangen vitrages. Vergeelde foto’s en posters hangen aan de muur. De moderne muziekinstallatie achter de bar en een plasmascherm in de hoek verraden dat we ons wel degelijk in het jaar 2008 bevinden.

Is ’t Haantje het oudste café in Nijmegen-Oost?
‘Dat durf ik niet met honderd procent zekerheid te zeggen. Het pand is in 1898 gebouwd. Vanaf 1943 is het een café geworden. In 1957 sloten mijn ouders hun melkwinkel en namen ze dit café over, dat toen Carnegie heette. Maar omdat iedereen het ’t Haantje bleef noemen, kreeg het café weer zijn oude naam terug. Vroeger kregen cafés altijd dierennamen. Aan de Berg en Dalseweg zit bijvoorbeeld “het Haasje”. Maar het oudste café? Dat zou je moeten nazoeken. Café Jos bestaat al erg lang. Station Oost daarentegen is redelijk jong. Daar hebben allerlei zaken ingezeten. Heel vroeger zat er een garage met inpandig een benzinepomp en later een sigarenwinkeltje van twee dames. En wat eigenlijk iedereen wel wist en waarover je niet mocht praten, was hun lesbische relatie. Sinds een jaar of vijftien zit Station Oost in het pand.’

Is er in de tussentijd veel aan het interieur van het café veranderd?
‘De opzet is grotendeels hetzelfde gebleven. Het café mag de sfeer van een woonkamer hebben. De open haard bijvoorbeeld, waar vaak mensen om heen zitten, geeft toch een huiselijke sfeer. Heel vroeger waren hier nog kegelbanen en zat er een slaapkamer op de begane grond. Ook stonden hier vroeger tafels met bankstellen en fauteuils. Maar die slijten natuurlijk een keer. Omdat het steeds moeilijker werd om aan fauteuils te komen, hebben we het zitmeubilair vervangen door houten stoelen. Die staan er nu nog. Op een gegeven moment hebben we de lage tafels weggehaald omdat iedereen erlangs schampte.’

Is dit café uniek voor Nijmegen-Oost?
‘Het had natuurlijk ook ergens anders kunnen staan. In de loop der jaren bouw je contact op met je klanten. Daaruit vloeien dingen voort. Maar dat zou op een andere plaats in Nederland evengoed gebeurd zijn.’
Twee mannen komen binnen. Hoewel zij hun bestelling nog niet hebben doorgegeven, zet Joop Puijn alvast twee jus d’orange klaar. Hun komst is vaste prik. Elke donderdag komen zij biljarten.

Komt hier een vaste klantenkring?
‘Ja. Ik zie vaak dezelfde gezichten. Hoewel er wel allerlei verschillende types komen. Zo kwam oud-burgemeester Guusje ter Horst wel eens langs, maar ook werklozen, zelfstandige, middenstanders en studenten zitten hier. Het is een heel gevarieerd publiek. Lang niet iedereen komt uit Nijmegen-Oost. Ik heb een klant gehad die 43 jaar op en neer uit Beuningen kwam. Anderen komen uit Lent, Beek of de Ooij. Sommige mensen komen hier omdat hun ouders hier ook naar toe gingen. Een klant van me is hier als het ware onder het biljart geboren. Als baby nam zijn moeder hem mee.’

Is de binding tussen de klanten onderling ook groot?
‘Laatst hadden we een receptie voor ons vijftigjarig jubileum. Vaste klanten waren uitgenodigd. Ik ken hen allemaal. Het grappige is dat sommige met elkaar aan de praat raakten, en elkaar nog nooit eerder gezien hadden. ‘Dus jij komt hier ook?’ ‘Maar ik kom al zoveel jaar hier’. Dan krijg je een beetje haantjesgedrag. Dat is leuk om mee te maken. Dat ze elkaar nog nooit eerder gezien hebben, komt omdat ieder op een ander tijdstip komt. Op een dag heb je tijdseenheden. Je hebt de middag-, vooravond-, en avondgroep. Dan kun je elkaar dus jarenlang mislopen.’

Is het cafépubliek in de loop der tijd veranderd?
‘Van de tijd van de oorlog en de wederopbouw weet ik zelf natuurlijk niet veel. Ik weet van mijn ouders dat het geen vetpot was. Mensen hadden weinig geld. Klanten zetten hun bestelling vaak op een rekening die ze eens in de maand aflosten. Dat deden ze altijd als de kinderbijslag was binnengekomen. Dit deden mensen ook bij de melkboer en de bakker. Ik weet dat er hier in de Beijensstraat iemand woonde met 13 kinderen. Dan kreeg je een mooie klap geld binnen. Ze hadden ook twee huizen.’
‘In de jaren zestig vond er een hele ommezwaai plaats. Toen kwam de studiebeurs waardoor veel jongeren ineens konden studeren. Hun beurs was rond de 1300 gulden. Dat is nu omgerekend 650 euro. Dat krijgen studenten inmiddels niet meer. StudenGesprek met Joop Puijn, de cafebaas van ‘t Haantje.

Is de omgeving van ’t Haantje sterk veranderd?
‘Aan de Daalseweg, en dat weten een heleboel mensen niet, hebben we van die kleine buurtjes gehad. Hierachter was buurtje één. En waar nu het Daalsehof zit, zat buurtje twee. De buurtjes waren kleine arbeidershuisjes met een kleine voor- en achtertuin. De buurtjes waren een gemeenschap op zich. Mensen kenden elkaar omdat ze al jaren in de buurtjes woonden. Als iemand eens verhuisde, nam vaak een ander familielid de woning over. De huizen werden slecht onderhouden. Ze waren zo verwaarloosd dat men ze moest platgooien.’
‘Vroeger waren er ook veel kleine winkeltjes in de buurt. Hierachter zat het magazijn van een bakkerij met een onderaardse gang. Die gang liep door naar de bakkerswinkel, in dat pand zit nu cafetaria Corry. De winkel werd via de gang bevoorraad. Verder zat hier in de straat nog een melkfabriek, een aannemersbedrijf, drukkerij, een limonadefabriek, een schoenmaker en slager Bos en Kropman.’
‘Van de winkeltjes is niet veel meer overgebleven. De eigenaren werden op een gegeven moment oud en vonden geen opvolgers. In de jaren zeventig zetten de supermarkten stevig op waardoor de kleintjes de nek werd omgedraaid. De kleintjes waren alleen maar goed voor ’s avonds drie keer bellen. Je kon bij hen na sluitingstijd altijd nog wel even terecht. Daarvoor was de kleine winkel wel goed, maar verder gingen de mensen vooral naar de supermarkt. Mensen vinden het jammer dat de kleine winkeltjes weg zijn, maar dat hebben ze uiteindelijk toch zelf gedaan. De kleintjes konden niet meer overleven.’

buurtje_01 buurtje_02

Buurtje 1, achter het Haantje gelegen, zicht op achterkant van de Havestraat (R.A.N) Buurtje 2, waar nu de Daalsehof is, zicht op kapel klooster Dominicanenstraat (R.A.N)

Was het wijkgevoel sterker ten tijde van de winkeltjes?
Ja, de saamhorigheid was vroeger veel groter bij de mensen. Nu is het meer ikke, ikke, ikke. Sowieso is het karakter wel veranderd. Nijmegen-Oost is eigenlijk een volkswijk geweest. Laten we eerlijk zijn. Er waren heftige straten, zoals de Beijensstraat, waar de politie vaak moest ingrijpen. Maar nu is Oost de crème-de-la-crème; het is niet te betalen. Er zitten veel yuppen. In de jaren negentig is er veel subsidie geweest om de wijk op te knappen. Veel mensen hebben daarvan gebruik gemaakt. Het is een hele mooie wijk geworden. Een hoop groen, winkeltjes, dicht bij de stad, dicht bij de Ooij. Nijmegen-Oost heeft niet voor niets wachtlijsten van tien jaar. Nijmegen-Oost is een dorp op zich gebleven.’

Joop Puijn werd geinterviewd door Nelleke Haverkate.


Gesprek met de heer A. Wolf. († 29-07-2009)

Meneer Arnold Wolf is gepensioneerd docent geschiedenis en geboren en getogen in Nijmegen Oost. Hij kent het Canisius College van binnen en van buiten.

arnoldwolfHet verhaal van het Canisius College
Aan de Berg en Dalseweg staat het monumentale Canisius College. Van het uit 1900 daterende gebouwen complex, dat ooit 100 bij 100 meter mat, rest alleen nog het hoofdgebouw.
Meneer Arnold Wolf (1932) is gepensioneerd docent geschiedenis en geboren en getogen in Nijmegen Oost. Hij kent het Canisius College van binnen en van buiten. Als jochie kwam hij met vriendjes wel eens illegaal op de sportvelden en wat later, in 1945, werd hij er leerling om in 1961 terug te keren als leraar geschiedenis. Dertig jaar later verlaat hij het college om zich met dubbele energie te wijden aan zijn vele bezigheden, die allemaal wel wat met zijn vak én zijn grote hobby geschiedenis te maken hebben. Sinds 1978 verzorgt hij het archief van het Canisius College, van Mater Dei en de nieuwe scholengemeenschap.

De begintijd van het Canisius College
Met zichtbaar genoegen verhaalt meneer Wolf diverse wetenswaardigheden uit de geschiedenis van het Canisius College. Zo laat hij een gravure zien uit 1900. Temidden van groene weilanden, hagen en bomenlanen troont het imposante bouwwerk aan de rand van de toen nog schaarse bebouwing aan de Berg en Dalseweg. De ruimte en de schone lucht in Nijmegen, en vooral de centrale ligging ten opzichte van de rest van het land vergeleken met Limburg, gaf de doorslag voor de paters Jezuïeten om op deze locatie een kostschool te laten bouwen.
Het Canisius was één van de zes Jezuïetencolleges die Nederland rijk was. Hier werden katholieke jongens opgeleid volgens het strenge militair aandoende schoolsysteem van de Jezuïeten. Meneer Wolf: ‘Het was een hard systeem. Je kon er tegen of je kon er niet tegen. Je kreeg er een stempel dat je nooit meer kwijt raakte’. Het Canisius College was een internaat gecombineerd met een gymnasium/hbs, een eliteschool waar de Rooms Katholieke intelligentsia werd gevormd. De politici Van Mierlo en Lubbers zijn daarvan bekende voorbeelden.
Deel uitmaken van het Canisius genoot aanzien, niet alleen in Nijmegen, ook ver daarbuiten. Het was een naam op zichzelf. Het was een eliteschool die zeer goede resultaten boekte. Om dat te bereiken waren de paters selectief: zowel leerlingen als docenten, leken én paters werden streng geselecteerd zodat de ene elite de volgende kon produceren.
De persoonlijke herinneringen en ervaringen van meneer Wolf met dit instituut beslaan meer dan 50 jaar. Geen wonder dat hij ter gelegenheid van het 100-jarige jubileum van het Canisius College op 20 oktober 2000 werd gevraagd een toespraak te houden over het college en het onderwijs- en vormingssysteem van de Jezuïeten.

Het Canisius College en de wijk.
Op de vraag naar de verhouding tussen het Canisius College en de wijk is zijn antwoord kort en bondig: die was er niet. Het college was een gesloten gemeenschap die volledig voor zich zelf zorgde en waar dan ook alle denkbare faciliteiten waren. Het was als het ware een afgesloten dorp in de wijk. Je kon er niet in, er stonden muren omheen en hekwerken met prikkeldraad, maar je kon er ook niet uit. Dat laatste gold voor de ‘internen’. In het internaat herbergde het college 300 leerlingen, 60 tot 70 paters en 10 tot 12 inwonende personeelsleden. Daarbij kwamen overdag nog eens 1200 externe leerlingen en 70 leraren. Er lagen schitterende sportvelden maar de buurt was er niet welkom. Het college voelde zich niet verbonden met de buurt en andersom ook niet. Het was letterlijk en figuurlijk één gesloten blok.
Toch zijn er in de loop van de geschiedenis wel betrekkingen met de buurt geweest. Zo woonden er in de oorlog in de kelders langs de hele voorkant wel 400 vluchtelingen uit de buurt. Dat was een kleine, op zichzelf staande gemeenschap tot het einde van de oorlog. Een ander merkwaardig gevolg van de oorlogssituatie houdt verband met de hoogte van het gebouw. De hoge daken hielden meer dan 100 granaten tegen die vanuit de Ooij en de Betuwe werden afgevuurd. De schildersbuurt heeft daarom bijna geen granaattreffers gekregen. Maar het gebouw zelf was goed toegetakeld en het is naderhand gerestaureerd met het materiaal wat er toen voorhanden was. Dit bleek nadelig voor de grote kapel, die grensde aan de Museum Kamstraat. Restauratie met inferieur materiaal zorgde voor permanente lekkage en tocht, wat nadelig uitpakte voor het orgel. Uiteindelijk heeft men de kapel, hoewel een monument, niet voor sloop kunnen behoeden. De door hoogteverschillen moeilijk toegankelijke kapel was door de naburige Maria Geboortekerk en door het teruglopend aantal gelovigen als gebedsplaats overbodig geworden.

Het ‘Hok’
‘Het hok’, zo luidt de officiële bijnaam van het college, die zowel binnen als buiten de school door iedereen werd gebruikt. Over deze bijnaam doen veel verhalen en mystificaties de ronde, maar meneer Wolf legt uit hoe het allemaal zo gekomen is. In de jaren ‘36 en ‘37 was er een lauwe sfeer op het college, en een zekere pater Hagdorn uit Den Haag organiseerde daarom een actie met meer bidden, meer sport, meer voetbal, zingen en lof, met als slogan ‘Hoog Ons College’, H.O.C. De actie HOC werd al gauw de actie HOK en na 2 jaar was de pater weg, de actie vergeten maar de naam bleef en werd sindsdien door iedereen gebruikt, ook door paters en leraren.

Eliteschool tegenover andere scholen
Op de Bijleveldsingel was een HBS A, op de Kronenburgersingel was een HBS B, en er waren nog de meisjesscholen Mariënbos en Mater Dei. De enige echte concurrent van het Canisius College was het Stedelijk Gymnasium. Meneer Wolf: ‘Dat werd met gepaste minachting bejegend. Wij van Canisius College zijn toch beter. Men voelde zich beter en liet dat aan alle kanten merken’. Die superioriteit gold niet alleen sportwedstrijden maar ook de eindexamenresultaten. De paters zorgden ervoor dat de eindexamens zoveel mogelijk 100 % waren door bij de overgang van klas 5 naar 6 eindexamennormen aan te leggen. Haalde je die norm niet, dan bleef je zitten. Alleen de besten deden eindexamen, een ijzeren systeem dat fantastische resultaten opleverde.

Het einde van een tijdperk
Na de bloeiperiode begon de positie van het Canisius College in de zeventiger jaren af te brokkelen. Verschillende maatschappelijke ontwikkelingen kwamen bij elkaar waardoor het College uiteindelijk zou ophouden te bestaan. Het aantal priesterroepingen liep dramatisch terug, van jaarlijks 20 tot 30 nieuwe paters tot 2 of 3 per jaar. Het Jezuïetensysteem vroeg om veel toezicht en controle, en dus om veel personeel. Gebrek aan jonge aanwas, verouderende paters en een teruglopende vraag noopten in 1976 tot opheffing van het internaat, waardoor de helft van het gebouw leeg kwam te staan. Onderhoud was kostbaar, ongeveer 100.000 gulden per jaar en het Rijk betaalde alleen de schoolruimten. Daarnaast begonnen de paters zich af te vragen of ze zich nog op hun plaats voelden in het onderwijs. Net als andere ordes voelden zij zich steeds meer aangetrokken tot de zielzorg. De invoering van de Mammoetwet in het onderwijs zorgde tenslotte voor de definitieve breuk. De gedwongen fusie met de meisjesschool Mater Dei, die een onderwijskundige kant had vanwege de invoering van de schooltypen HAVO en Atheneum, maar ook een praktische kant omdat het gebouw van Mater Dei jonger was en makkelijker te onderhouden, betitelt meneer Wolf als ‘een drama’ dat met veel spanningen gepaard ging. De intrede van meisjes op de school betekende het einde van een traditie, wat nog verder werd bekrachtigd door de overdracht aan een lekenbestuur. Het Canisius College fuseerde enkele malen en zo kwam in 10 jaar tijd een einde aan wat in 75 jaar was opgebouwd. Daarmee werd het verloop van het elitaire karakter van de school een feit.

De wijkbewoner
Meneer Wolf heeft op verschillende locaties gewoond, waaronder de Barbarossastraat en het Mariaplein. Oost is een unieke wijk, die vanwege zijn hoge ligging altijd veelgevraagd is geweest. Vroeger was het een deftige wijk, waar in straten als de Barbarossastraat, de Sterreschansweg en de Berg en Dalseweg de gezeten burgerij woonde in statige panden.
Maar er waren ook andere buurten, zoals het Rooie Dorp. Dat was altijd een arbeiderswijk, maar wel van vakarbeiders. Daar woonden de stucadoor, de metselaar, en de timmerman. Na de oorlog zijn die allemaal vertrokken naar Hengstdal en wat er voor in de plaats kwam zorgde in de jaren ‘60 en ‘70 voor flinke problemen. Uiteindelijk is het Rooie Dorp helemaal herbouwd.
De aantrekkelijkheid van Nijmegen Oost ligt voor meneer Wolf ook in de gevarieerdheid van de huizen, de brokkelbebouwing, en hun bewoners. Je ziet in de bebouwing terug dat het vroeger de buitengebieden waren van de stad. Er staan nog oude boerderijtjes en keuterwoninkjes zoals aan de Tooropstraat, waar men later stadshuizen tussen bouwde. De buurt rond de Dommer van Poldersveldtweg was heel gemêleerd. Ook dat was ooit buitenterrein van de stad, daar woonde een hele grote variatie van “nette mensen”. De enige wat “mindere” buurt was, toentertijd, na de jaren zestig het Rode Dorp. Die buurt was ook relatief afgesloten. Elders zag je juist ook arbeidershuizen opzettelijk gebouwd vlak naast kapitale panden. Zoals in de Barbarossastraat waar ook nu nog in een zijstraat, de Tenhoetdwarsstraat, een rijtje arbeidershuizen staat. Daar woonde voor de oorlog de familie Beijen, waar later nog de 100.000-ste inwoner van Nijmegen werd geboren.
Grote veranderingen zijn gekomen na de grote brand van september 1944 toen vele huizen verdwenen zijn, de families die verdwenen en ook het sterven van de kleine winkels in Oost. Over dit laatste onderwerp heeft meneer Wolf in 2003 een artikel geschreven in Nijmeegs Katern, waarin hij samen met Hanna Albrecht de geschiedenis uitwerkt van twintig verdwenen winkeltjes.

De heer Wolf werd op 19-3-2008 geïnterviewd door Ellen Hijmans


 

Geschiedenisdocent in hart en ziel

Gepensioneerd geschiedenisleraar Arnold Wolf (1932) kan nergens komen zonder herkend te worden. Geen wonder als je veertig jaar geschiedenisles hebt gegeven op dezelfde middelbare school. ‘Ik kan geen straat of winkel binnen lopen of ik kom wel een leerling tegen. Ik stapte een keer uit de auto en toen kwam er een hoge officier in politie-uniform naar me toe. De prachtig statige figuur stak zijn hand naar me uit, en vroeg: ‘Kent u me nog, meneer Wolf?’ Hij stelde zich voor als Jan die-en-die, die ik me wel als heel klein mager ventje op het voorste schoolbankje herinnerde. Maar nu stond er een lange kerel voor me.’

Het verhaal van het Canisius College
Arnold Wolf doceerde geschiedenis van 1960 tot 1992 aan het Canisiuscollege. In die tijd heeft hij veel dingen zien veranderen. ‘Door de Mammoetwet (1968, NH) fuseerden het Canisiuscollege en Mater Dei, een paters- en de nonnenschool. Daardoor kwamen er ook meisjes bij. Dat was voor mij niet erg, want ik had op andere scholen wel eens eerder meisjes in de klas gehad. Maar er waren leraren die alleen jongens gewend waren.’
‘Ik ben met mijn tijd meegegaan. Er was een TV in de klas. Ook heb ik vaak een bandrecorder meegebracht. De computer, een explosie van afleiding, heb ik nooit meegemaakt.’

Jezuïetencollege
‘Ik ben begonnen op het Canisiuscollege, Berg en Dalseweg 81. Dat bestond uit een Gymnasium en een HBS. Gemiddeld waren er twaalfhonderd leerlingen. De school was het bezit van de orde van de Jezuïeten. Omdat er te weinig paters waren om alle lessen te geven, zorgden de paters samen met leken-leraren voor het opleiden en opvoeden van de leerlingen.’

Waren er verschillen tussen de lekenleraren en de paters?
Nee. In de behandeling door de schooldirectie werd geen onderscheid gemaakt. Een school is natuurlijk een functionerend geheel. Dat moet lopen, daarin moet je meewerken. Dan kun je geen onderscheid maken. Ook werden ze allemaal door de overheid betaald. De paters gaven overigens een deel van hun inkomen af aan de orde.’
Het onderscheid was beter zichtbaar in kleding en woning. ‘De Jezuïetencongregatie heeft geen voorgeschreven kleding. Ze passen zich altijd aan aan de heersende gewoontes. Meestal droegen ze een zwarte toog. Later een pak. De Jezuïeten woonden bij elkaar in het ‘Huis’, in dit geval de voorkant van het College. De leken woonden natuurlijk gewoon thuis, die kwamen elke dag naar school.’

‘Dit Jezuïetencollege had een internaat. Driehonderd leerlingen woonden, werkten en sliepen op de school. Ze werden verdeeld in drie groepen. Iedere groep moest een slaap-, studie- en recreatiezaal hebben. Dat betekende dus negen ruimtes in totaal. Daarom was het gebouw zo groot, 100 bij 100 meter. Het moest er allemaal wel in. Behalve de interne leerlingen, had je ook nog de externe leerlingen en lekenleraren. Het geheel was self-supporting; het had een technische dienst, een eigen elektro-afdeling en metaalbewerking. Ze zorgden voor alles. En dat moest ook wel, het was een enorm bedrijf.’
‘De leerlingen van het internaat kwamen voor het overgrote deel meestal van ver uit het land. Rond 1900, toen dit college hier ontstond, waren de verkeersmogelijkheden in Nederland natuurlijk erg beperkt. Er waren niet veel verkeersverbindingen. Als je dus als arts, notaris of boer op het platteland je kinderen een goede opleiding wilde geven, dan kwam je terecht bij een kostschool. Het Jezuïetencollege had een goede naam. Het onderwijs was uitstekend en de docenten waren goed. Er werd dan ook streng geselecteerd op leerlingen én leraren.’

Historicus
Arnold Wolf gaf jarenlang geschiedenis. Dat vak is hem op het lijf geschreven. Zo heeft hij bijvoorbeeld alle jaargangen van de eindexamens van zijn leerlingen thuis gearchiveerd. En wanneer ik hem vraag hoelang hij over zijn eigen middelbare schooltijd op het Canisius heeft gedaan, valt hij even stil. ‘Haha, mag ik even? Ik raak nu in conflict met mijn geheugen.’ Hij loopt de kamer uit en komt terug met een stapel documenten. ‘Wat doe je als je met pensioen gaat? Ik ben historicus en heb me verdiept in de geschiedenis van de familie en van mezelf en heb daar een cahier over gemaakt. Ik wilde het vastleggen voor mijn kinderen. Ik heb ze natuurlijk altijd wel de verhalen verteld. Op een gegeven moment zeiden ze: ‘schrijf het een keer op, anders vergeten we het’. Mijn vrouw zegt dat mijn geheugen een ijzeren pot is. Ik heb alles onthouden.’

Doceren
Dat Wolf geschiedenis ging studeren aan de destijds Katholieke Universiteit in Nijmegen en daarna voor de klas ging staan, was geen verrassing. ‘Ik heb van mijn hobby mijn beroep gemaakt. Toen ik studeerde, was een onderwijscursus genoeg om je bevoegdheid te halen. Je volgde een aantal colleges van verschillende hoogleraren en je kreeg je papiertje. Je leerde er niéts van. Dat kan ik gewoon zeggen. Je leerde het vak van een ouderejaars die al voor de klas stond, of als je zelf voor de klas ging staan en enkele weken les had gegeven.’

U bent in uw eerste docentjaren dus behoorlijk voor de leeuwen gegooid?
‘Ja, helemaal. Je moet vechten. Je staat voor de klas en hebt niets geleerd van doceren. Je komt de deur binnen en daar zitten dertig jongens en meisjes. Het enige wat je dan hebt, is: hoe deden mijn goede leraren dat vroeger? Welke leraar was slecht en waarom? Dan begon je, en maakte je fouten. En van je fouten moest je leren. Daar kreeg je dan een jaar de tijd voor. Of je brandde af of je leerde er zoveel bij dat je bleef of naar een volgende school ging. Dan had je de ervaring en wist je hoe het niet moest. Het ergste voor een leraar is een slechte reputatie. Als je de eerste weken al de reputatie krijgt van: we-maken-de-kachel-met-hem-aan, dan moet je heel veel moeite doen om dat kwijt te raken. Elke les, élke dag opnieuw kom je dan onzeker de klas binnen: wat zou me nou weer te wachten staan.’

U hebt uw hele leven lang lesgegeven. Heeft u nooit last gehad van motivatieproblemen?
‘In het begin heb je als leraar enorm veel tijd nodig om te prepareren. Op een gegeven moment, na jaren, heb je alles voor elke klas klaar. Ik had de gewoonte dat ik in een cursus van zes klassen altijd per jaar één cursus helemaal herzag.’
‘Behalve doceren, heb ik ook vijfentwintig jaar lang alle schoolpapieren over activiteiten van leraren en leerlingen gearchiveerd. Maar het belangrijkste om gemotiveerd te blijven, waren bestuursfuncties die ik in mijn eigen tijd had. Mijn leven speelde zich af op school, want dat betaalde. Maar daarbuiten had ik een aantal zaken en functies die niet betaalden, maar waar ik mijn ambities en energie in kwijt kon. Zo ben ik bijvoorbeeld secretaris van de KVP-afdeling in Nijmegen geweest. En was ik dertig jaar werkzaam in het provinciale bibliotheekwezen.’

Pensioen
‘Ik heb altijd graag lesgeven. Alleen op het einde, met de komst van het centraal schriftelijk eindexamen ging de lol eraf. Gelukkig deed het toeval zich voor dat ik op mijn 58e vervroegd met de VUT kon. Ik ging opgelucht weg, want ik vond het wel welletjes. Niet het onderwijs voor de klas, maar alles wat er bij kwam. Vooral het eindexamen zette vanaf het begin van de cursus een domper op mijn lesplezier. Het centraal eindexamen werd door anderen samengesteld. Ik ben gewend dat ik zelf het eindexamen maakte. Mij werden het recht en de bevoegdheid ontnomen om te oordelen over mijn eigen leerlingen.’

De heer Wolf werd geïnterviewd door Nelleke Haverkate (april 2008)


 

Gesprek met de heer Joop Bakker.

meneer BakkerMeneer Bakker is met zijn (bijna) 89 jaar een van de oudste wijkbewoners uit Nijmegen Oost. Hij is geboren in de Stenen Kruisstraat en opgegroeid in de Hugo de Grootstraat. Hij bewoont daar nog steeds het ruime bovenhuis waar hij in 1928, als jongetje van 8 met zijn ouders kwam wonen.
Joop Bakker komt uit een muzikaal nest, waarin hij als zesde kind en nakomertje in 1919 werd geboren. Tussen hem en zijn oudere broer zitten maar liefst 11 jaren, “en de oorlog van ’14-’18 natuurlijk”, vertelt meneer Bakker. Zijn vader was namelijk militair én muzikant, aanvankelijk in het KNIL (Koninklijk Nederlands Indisch Leger) en later in de militaire kapel, waarin hij trompet en later ook de grote blaasinstrumenten bespeelde. Met een muzikale vader en twee zeer muzikale broers kon het bijna niet anders of ook Joop Bakker werd muzikant.

De muziek in
Joop begon in zijn jeugd met een gitaar, maar bleek een waar natuurtalent op de klarinet en saxofoon en na wat jaren lessen van verschillende leraren was hij na zijn twintigste klaar om in dansorkesten en big bands jazz te spelen. Na enige jaren spelen en optreden vooral in het westen van het land, trad hij toch in het voetspoor van zijn vader. Hij belandde in 1952 in de Luchtmachtkapel waar Joop de kans kreeg om eerste klarinetist te worden. Hij greep deze kans graag aan, Joop was inmiddels getrouwd en wilde graag meer zekerheid dan het onzekere artiestenbestaan hem kon bieden. Daarom zei hij de schitterende jaren vaarwel waarin hij onder meer speelde in het Scheveningse Kurhaus en het Rotterdamse L’Ambassadeur met het dansorkest van Joe Andy, om sergeant-muzikant te worden in de koninklijke militaire luchtmachtkapel.
Dat was wel een hele overgang, zowel financieel als muzikaal, want luchtmachtkapel speelde een heel ander genre muziek, vooral marsmuziek en ouvertures, en trad in die dagen ook veel in de buitenlucht op bij beëdigingen en andere militaire plechtigheden zoals parades. Hij bleef er 22 jaar tot aan zijn pensioen eind 1974 op 55-jarige leeftijd, de leeftijd waarop toen het militaire pensioen inging.
“Het was een fijne tijd” zegt Joop, maar hij was toch niet bepaald rouwig om zijn pensionering. Hij stortte zich met volle overgave in het muzikale leven van Nijmegen en omstreken om zijn passie voor muziek te volgen. Want het hart van Joop Bakker lag nog steeds bij de Big Band en na de jaren muziek maken met de luchtmachtkapel verdeelde hij zijn tijd 22 jaar lang tussen de big band van de Homburgfabriek in Cuijk, als dirigent-arrangeur (tot 1997), en 18,5 jaar lang de Big Band Tilburg als altsaxofonist (tot 1995). In onze eigen stad was hij maar liefst 32 jaar lang actief met de Red, White & Blue Aces (1954-1986), waarvan vele oudere stadgenoten hem tot op de dag van vandaag nog steeds (her)kennen.
Een tijdlang speelde hij met deze laatste band op zaterdag en zondag in de Nijmeegse dansschool Ditsel op de hoek van het Hertogplein en de Van Bruggenstraat (waar nu de Hypotheker huist), al werd het vanaf 1966 na protesten van de dames van de muzikanten allemaal wat minder, alleen nog feestavonden “maar een paar keertjes per maand”. En dat duurde toch nog twintig jaar, tot 1986, het jaar waarin in het Hotel Belvoir afscheid werd genomen van de Red White and Blue Aces. Meneer Bakker was toen 67 jaar en had al die tijd ook nog leerlingen begeleid, “soms had ik er wel 15”, zegt hij lachend. Tien jaar later nam hij een CD met klassieke jazz en dansnummers op, Swings and Sweeties, , in samenwerking met het bekende Nijmeegse salonorkest Die Flegel. Op deze CD bespeelt hij alle blaasinstrumenten. Hubert Hendriks schrijft in de begeleidende tekst bij de CD onder meer het volgende:”Terwijl vroegere collega’s wegvallen speelt Joop Bakker nog als een jonge God op zijn klarinet of saxofoon de sterren van de hemel met zijn unieke timing (…) en moeiteloze spel. Je kunt hem nog steeds een blad muziek voor de ogen zetten in welke toonsoort dan ook en hij speelt a prima vista de sterren van de hemel in iedere toonsoort die je wenst”.

Het is duidelijk dat het leven van Joop Bakker voor een heel groot deel in het teken staat van zijn passie voor muziek maken, meer speciaal van de vitale jazz – en big band muziek. Maar het is ook duidelijk dat het verband waarin die muziek samen met anderen wordt gemaakt steeds een belangrijke pijler is geweest in het leven van meneer Bakker, getuige de langjarige verbintenissen die hij is aangegaan en de vele vrienden en bekenden die hij via de muziek heeft opgedaan.

Wonen in Oost
Hoewel zijn ouders niet uit Nijmegen kwamen maar uit Drenthe en Deventer, en ondanks het feit dat Joop Bakker vanaf zijn twintigste jaar veel van huis was om in het westen van het land in orkesten te spelen, voelde hij zich altijd een Nijmegenaar en zeer verknocht aan zijn buurt.
Hij vindt Nijmegen Oost “een hele fijne wijk. Ik heb er altijd heerlijk gewoond, nooit geen trammelant enzo”. Hij zou niet graag verhuizen, zolang het nog kan wil hij er blijven wonen. Hij vindt het fijn dat het centrum goed te belopen is en dat je toch meteen ook buiten in de natuur bent. De gevarieerde bebouwing en de verschillende stijlen vindt hij typerend voor Oost, “het is geen eenheid”. Het feit dat er veel studenten in Oost op kamers wonen vindt hij geen enkel punt en heel begrijpelijk, iedereen wil graag in de buurt van het centrum wonen. “Ik heb er niks geen hinder mee. Ja, er is wel eens wat lawaai, maar niet genoeg om je kwaad om te maken”.

Veranderingen
Wie al 80 jaar in hetzelfde huis en in dezelfde straat woont kan veel vertellen over wat er in de wijk en de buurt allemaal is veranderd. Tegenover zijn huis stond vroeger een rij mooie hoge portiekwoningen met boven- en benedenhuizen. Zij hebben, zoals veel stukken in Oost, de oorlog niet overleefd. Hij ziet dat er in de wijk langzamerhand veel is opgeknapt aan huizen en straten. “Oost is nu heel duur geworden qua huren en kopen. Er wonen hier alleen nog mensen die het kunnen betalen”. Vroeger waren er in de directe omgeving van de Hugo de Grootstraat ook wel mindere stukken. De “onderstraat”, het deel dat naar de Berg en Dalseweg loopt, heette voor de oorlog de Rozendaalstraat. Daar woonden een ander soort mensen, dat was ook een beetje zo in de Ten Hoetstraat en de Ten Hoetdwarsstraat. Er waren in elk geval veel meer kleine winkeltjes en er was meer te doen op straat, het was een stuk levendiger dan nu. Zo waren er in zijn directe woonomgeving een sigarenwinkel, melkwinkel, een drogist, een groentenwinkel en op de hoek met de Jan van Goyenstraat woonde de slager. Hij herinnert zich nog goed het kleine snoepwinkeltje van mevrouw Kersten met het rode haar, op de hoek met de Ten Hoetstraat, waar je voor een halve cent of een cent dropveters en toverballen kon kopen. Als kind kon je toen nog gewoon op straat spelen, er waren nog geen auto’s. “We hebben altijd lekker gespeeld hier boven met jongens uit de buurt. We speelden op het steile paadje naar de Ubbergseweg, daar was vrijwel geen verkeer. We voetbalden en speelden op het open grasveld bij het kasteeltje Belvoir, waar nu ongeveer het gebouw van Haskoning staat. Later zijn er huizen gebouwd, die deels weer verbrand zijn in de oorlog”.
Ook het sociale leven heeft hij zien veranderen. “Vroeger had je meer contacten in de buurt. We kenden elkaar allemaal en we liepen in en uit bij elkaar. Dat is allemaal veranderd. De mensen zijn vertrokken, er komen steeds nieuwe mensen”.” Dat amicale vind ik wel aangenamer”zegt meneer Bakker, “de mensen zijn nu veel meer op zichzelf. Het is een slaapbuurt geworden. Tussen 8.00 u. ’s morgens en 17.00 woont er niemand. En ik ook niet”.

Musicus in ruste?
Ondanks zijn vergevorderde leeftijd oogt meneer Bakker als een vitale en opgewekte oudere heer, die nog steeds “voor de lol” twee leerlingen begeleidt, die elke maandagavond musiceert met een klein groepje in Margriet, en die zojuist zijn rijbewijs nog eens heeft vernieuwd.
Wat zijn geheim is om zo vitaal te blijven weet hij eigenlijk niet. De muziek? “Het zou goed kunnen “. Het is wel opvallend dat hij enthousiast praat en veel positieve woorden gebruikt zoals ‘grandioos’, ‘fijn’, ‘fantastisch’ en ’leuk’, en dat hij altijd bezig is en niet stil kan zitten. Daarbij is hij is hij ook nog een bescheiden mens. Op de vraag of hij een bekende Nijmegenaar is antwoordt hij: “Zeggen ze, ja”. Bescheiden? “ Ja, ik hou niet zo van trammelant”. Overdag is hij te vinden in Verpleeghuis Margriet, waar hij zijn echtgenote Cok bijstaat en gezelschap houdt. Mevrouw Bakker heeft 11 jaar geleden, vlak na hun 50ste huwelijksdag een herseninfarct gekregen en verblijft sindsdien in Margriet. Zij is helaas blind en bijna helemaal doof geworden en meneer Bakker zorgt nu voor haar. “Dat vind ik heel gewoon hoor”, zegt hij stellig, “Ik doe het graag. Ik bedoel, zij heeft eerst 50 jaar voor mij gezorgd en nu zorg ik voor haar”. De dag begint voor Joop Bakker om half 9 met een half uurtje, driekwartier blazen en dan om 9.15 vertrekt hij naar Margriet. Vanuit zijn woonkamer op de 1e verdieping kan hij precies de achterkant van het gebouw zien. Zijn blik wordt peinzend wanneer hij aan de toekomst denkt. “Ik hoop dat het nog lang duurt”, zegt hij, en daarmee doelt hij op de onzekere toekomst van Margriet. Er zijn geruchten dat patiënten naar Dekkerswald aan de Nijmeegsebaan zullen moeten gaan. Geen goed vooruitzicht voor meneer Bakker, wiens leven zich nu toch vooral in en om Margriet afspeelt.
“Ja, dan weet ik het nog niet”, zegt hij.

Ten slotte
De heer Bakker is op 26 maart 2011 overleden.

Interview door Ellen Hijmans op 5-9-2008


 

Gesprek met de heer Theo Jacobs.

theojacobs
Foto Theo Jacobs

Theo Jacobs is 62 jaar en werkt als senioradviseur Externe Betrekkingen en Public Affairs bij de Gemeente Nijmegen.
“Ik heb mijn hele jeugd in Nijmegen Oost gewoond”, vertelt de heer Jacobs als ik hem op zoek op het stadhuis. Geboren en getogen op de hoek van de Pater Brugmanstraat en Jan van Goyenstraat, en als zoon van de melkman en autorijschoolhouder weet Theo Jacobs heel wat over Nijmegen Oost te vertellen.

De Wederopbouw
Theo Jacobs werd geboren in november 1945, het jaar van de bevrijding. Van jongs af aan was hij werkzaam in het melkbedrijf van zijn ouders in/aan de Jan van Goyenstraat. Daar vulde hij de schappen met pakjes boter, ging mee op werkbezoek bij de eierboer, en bracht samen met zijn vader en het werkende personeel de melk rond. “In die tijd was het nog zo dat wij aan de mensen aan de Huygensweg en Berg en Dalseweg op zondagen de slagroom geklopt en wel aan huis brachten”, weet hij zich te herinneren. Dat was echter een luxe en alleen voor de welgestelde in de wijk weggelegd. Daarnaast was zijn vader huisleverancier van de paters Jezuiten van het Canisius College en de Broeders van de Onbevlekte Ontvangenis aan de Sterreschansweg. Dit waren de broeders die begin jaren vijftig de Mariaschool beheerden. Op School
De Mariaschool was in de jaren vijftig dé lagere school in het Nijmegen Oost. Haar oorspronkelijke locatie was gelegen aan de St. Jozefhof vlak bij de Hertogstraat, maar die lag in de eerste jaren na de oorlog helemaal in puin. Toch heeft de heer Jacobs daar nog twee jaar les gehad voordat de school verhuisde naar een nieuw pand aan de Hugo de Grootstraat. Theo Jacobs zat toen in de derde klas. “In die tijd werd de school voornamelijk bestuurd door de broeders”, vertelt hij. “Het hoofd van de school was broeder Gabinus, de vijfde klas werd onderwezen door broeder Winfried, broeder Antoine was verantwoordelijk voor de vierde klas en broeder Benjamin voor de eerste”. Naast broeders waren er toen ook al seculiere onderwijzers, meneer Evers van de tweede- en meneer Van Dijk van de derde klas. Tegenwoordig zit er in het pand aan de Hugo de Grootstraat nog steeds een (openbare) basisschool, al heet zij nu de Buut.

De Mariaschool had een duidelijke katholieke uitstraling. Destijds werd er door de kinderen een toneelstuk opgevoerd dat het passiespel werd genoemd. In dit spel stond het lijden van Christus centraal. “Deze voorstelling was een groot succes”, herinnert Theo Jacobs zich, “ouders en buurtgenoten kwamen kijken, en de Gelderlander heeft er een artikel aan besteed.”

Ook de buurt was in die tijd overwegend katholiek. “Er waren twee katholieke voetbal verenigingen te vinden in de regio; Union in Malden en de Orion Boys in Nijmegen Oost. Protestantse verenigingen kende de buurt niet.” Dat betekende echter niet dat er geen protestantse mensen woonden. In de melkwinkel van Theo Jacobs’ ouders kwamen ook veel protestantse klanten hun producten halen. Mijn vader was er zeker van dat onze protestantse klanten hun opgeschreven rekeningen zouden betalen in tegenstelling tot menige katholieke klant, weet de heer Jacobs te vertellen. “Toch mocht het protestantse meisje waar ik verkering mee kreeg jarenlang niet aan huis komen.”

jacobs_winkel
Foto van de winkel in 1937 met Theo Jacobs Senior (1902-1967)

Rijschool Theo Jacobs
Het pand van de familie Jacobs bestond uit drie bouwdelen aan de Jan van Goyenstraat. In 1952 werd de melkwinkel van de familie Jacobs verkocht aan vader en zoon Sliepenbeek, die vanaf toen het laatste bouwgedeelte (Jan van Goyenstraat 12, destijds de aanbouw met middenplaats en grote keuken) huurde voor hun melkbedrijf. Het middelste bouwdeel (Jan van Goyenstraat 14) werd verhuurd aan de heer Brinkhuis, die opende er een drogisterij. Deze drogisterij is later overgenomen door de heer Jacques Spee. Het ondernemerschap bleef echter knagen en kort daarop opende moeder Jacobs een sigarenwinkeltje in de omgebouwde huiskamer, en verhuisde het woongedeelte van de familie naar de tweede etage. Vader Jacobs stichtte zijn eigen rijschool. “Mijn vader adverteerde vaak voor zijn rijschool”, vertelt Theo Jacobs. “Dan stond er ‘In één keer geslaagd bij Rijschool Theo Jacobs’, waarop de adressen van de mensen volgden die het rijbewijs in één keer hadden gehaald.” Eénmaal trachtte hij zichzelf te promoten door de leeftijd van de mensen die geslaagd waren er bij te zetten. Helaas stelden de geslaagde vrouwen op leeftijd dit niet op prijs. Dat hoorde niet!

jacobs_straatje
Foto van getekende plattegrond winkelstraatje door Theo Jacobs

Spelen in de Wijk
“Na de oorlog heeft de Batavierenweg, wij noemden het de ‘Batte’ lange tijd in puin gelegen. Er stonden in die tijd nog maar een paar huizen en enkele kelders overeind.” Kortom een perfecte speelplaats voor opgroeiende jongens. Ook de heer Jacobs kwam er regelmatig om te voetballen, fikkie te steken, of met een katapult vanaf de dijk steentjes te schieten naar de vissers aan de oever van ‘t Meertje.

Een ander bekend speelterrein was: ‘Het Bos van Bartje’, tegenwoordig bekend als het Mannendal. “Bartje was de tuinman die woonde in de twee boerderijtjes onder aan de Ubbergseweg. De grond tot aan de witte villa’s op de Sterreschansweg was zijn grondgebied. Het stond er vol bramenstruiken en wij speelden daar veel”, herinnert Theo Jacobs zich. “Later in de jaren zestig, kanoden we met een stuk of zes jongens over de Waal naar de Bisonbaai. Er was daar nooit iemand omdat de baai toen nog niet uitgebaggerd was. We bleven er regelmatig slapen in een tentje. Het warme eten werd gewoon van thuis uit gebracht. Dat was een heerlijke tijd!”

Studenten
Het faciliteren van woonruimte was een veel voorkomend verschijnsel in de wijk. Er waren verschillende huizen in de Pater Brugmanstraat volledig ingericht op het huisvesten van studenten. Het huis naast de familie Jacobs was zo’n huis waarin veel studenten woonden. Ook de ouders van Theo Jacobs hadden hun hele leven studenten op kamers. Er woonden vooral veel meisjes bij hen in huis. Van deze meisjes kreeg Theo Jacobs regelmatig bijles, en van zijn ouders moest hij hen met Juffrouw aanspreken.

De familie Jacobs heeft naast studenten ook alleenstaande mensen in huis gehad. “Dit was een mooie periode. Ze waren vriendelijk en attent en hadden vele mooie verhalen. Zo hebben wij nog eens een neef van een bekende legeraanvoerder uit Indonesië, generaal Spoor, in huis gehad.”

Het faciliteren van woonruimte bracht naast gezelligheid ook een extra inkomen. “Ik weet nog goed dat toen mijn vader overleed in 1967 mijn ouders zo’n 35 à 40 gulden per maand per kamer beurden” vertelt hij ‘dat was inclusief ontbijt’.

Toen en Nu
In 1967, na het overlijden van zijn vader wordt de rijschool opgeheven. Theo Jacobs zat destijds in militaire dienst. Door het overlijden van zijn vader wordt hij echter van zijn dienstplicht ontheven om bij zijn moeder in de winkel te gaan werken. Daar werkt hij nog een jaartje waarna hij Nijmegen Oost verlaat. Vijfentwintig jaar later in 1993 keert hij er met zijn gezin weer terug. Er is in die tijd veel veranderd in Nijmegen Oost. “Vroeger was er door al de winkeltjes veel bedrijvigheid in de wijk. De ondernemers kenden elkaar al lange tijd, trokken veel met elkaar op. Dat maakte het charmant en levendig. Daarnaast bestond er een behoorlijk wijkgevoel, mijn vader had na de oorlog een dansvloer liggen buiten op straat, op de hoek van de Pater Brugmanstraat en Jan van Goyenstraat, om het feest te vieren dat ze bevrijd waren! Aan de buitenkant was het huis aangekleed met allemaal oranje lampen. Er waren maar weinig auto’s natuurlijk. En de mensen kenden elkaar gewoon goed.”

Het straatbeeld in dit deel van de wijk, het gedeelte tussen de Berg en Dalseweg en de Sterreschansweg dat ongeveer eindigt bij de Huygensweg, is eigenlijk veranderd toen eind jaren zestig alle winkeltjes uit de wijk wegtrokken. Het winkel-gebeuren verplaatste zich toen naar de Daalseweg. Het kleine winkelstraatje waar de heer Jacobs in opgroeide bestaat niet meer, het café Pays-Bas op de Batavierenweg heeft plaatstgemaakt voor grote flatgebouwen en ook de winkels op het Mariaplein zijn verdwenen; “De Gruyter, het kruidenierswinkeltje; Schrievers met zijn banketbakkerij; Jette de Groot met haar sigarenwinkel en drankhandel; en dat wat voorheen één van de grotere garages was met de naam LAVO, dat is nou een kinderdagverblijf.”

Een baken in de tijd blijft café Trianon, dat heden ten dage nog steeds het straatbeeld siert. “In de jaren twintig werd het zaaltje achter in Trianon regelmatig gebruikt om te dansen”, vertelt meneer Jacobs. “Ze vroegen destijds vijf cent entree. Mijn ouders, die daar in eerste instantie hun melkwinkel hadden, hebben daar veel gedanst.”

Gerenommeerde bewoners ?
Nijmegen Oost was wel een heel gerenommeerde buurt. In het studentenpand naast Theo Jacobs woonde Godfried Bomans; op de hoek van de Pater Brugmanstraat en de Berg en Dalseweg woonde de familie Rutten, bekend van de latere minister van Onderwijs; daar tegenover van Hasselt en de Koning van het huidige architectenbureau Royal Haskoning; en op het Mariaplein woonde priester en professor Kors, de voormalige voorzitter van de KRO. Toch voelde Theo Jacobs zich er prima thuis. “Het was en is een mooie buurt met grote huizen”.

Het huidige Nijmegen Oost kan volgens Theo Jacobs nog steeds als een gerenommeerde buurt omschreven worden; het opleidings- en inkomens- niveau ligt nog steeds bovenmodaal en er zijn weinig problemen. Belangrijker vindt hij echter de uitstraling van de wijk. “Je kunt zien dat de meeste huizen rond 1900 gebouwd zijn. Het balkon van ons huis bestond uit pilasters, die kleine Romeinse zuiltjes. Mijn vader was toen der tijd de eerste die het afbrak omdat het beton ging rotten en het onderhoud te duur werd. Het zijn grote herenhuizen en de verscheidenheid van de huizen is prachtig! Geen één is het zelfde. Daarnaast is de wijk ruim opgezet waardoor de wijk wat statigs krijgt.”

Nijmegen Oost en de Gemeente
Al sinds 1970 is Theo Jacobs werkzaam bij de gemeente van Nijmegen. Eerst als leidinggevende bij de sociale dienst, waar hij verantwoordelijk was voor het uitstroombeleid. Daarna als senior adviseur externe betrekkingen en Public Affairs.

Tijdens zijn werk bij de sociale dienst kwam Theo Jacobs maar enkele keren in aanraking met Nijmegen Oost. Deze herinnert hij zich echter nog goed: “ Eén van de bekendste zwervers in Nijmegen kwam uit Nijmegen Oost. Ik kwam hem nog wel eens tegen in het gebouw van de sociale dienst waar ik dan enthousiast begroet werd ‘laat me niet in de steek Theo, jij matst mij wel hè!’ riep hij dan in de wandelgangen. Ik kende hem al vanaf mijn vijfde.” Af en toe kwam hij ook andere mensen tegen maar de werkloosheid in de wijk is nooit zo hoog geweest dat hij echt veel met Nijmegen Oost te maken heeft gehad.

De afgelopen acht jaar richt Theo Jacobs’ zich voornamelijk op een netwerk van ondernemers en bedrijven die van belang zijn voor de Gemeente Nijmegen. Daarbij speelt Nijmegen Oost geen vooraanstaande rol. Toch is en blijft Nijmegen Oost de wijk waar Theo Jacobs zich thuis voelt: “Ik wandel veel in de wijk en laatst vertelde ik nog aan mijn vrouw hoe wij als jongetjes altijd met een sleetje van de dijk afgleden helemaal tot aan het meertje. Dat was prachtig!”

De heer Jacobs werd in september 2008 geïnterviewd door Afke Post.


Gesprek met de heer Hans Giesbertz.

Aan de voet van de stuwwal van Nijmegen, tussen het centrum en Nijmegen-Oost, ligt het wijkje Ooijse Schependom. Wie bij het Trajanusplein via de trapjes afdaalt, en bij het Hollands-Duits Gemaal de Ooijpolder insteekt, komt er doorheen. De wijk wordt vooral bewoond door studenten en starters. Dat was vroeger wel anders. In de jaren zeventig vonden gastarbeiders hier hun onderkomen en in de decennia daarvoor vooral gezinnen. In het huis waar met grote letters ‘H.J. Giesbertz bouwbedrijf’ op de gevel is geschilderd, woonden Henk Giesbertz en Riek Stuart met hun zeven kinderen: Paul, Ton, Marijke, Hettie, Henk, Hans en Maarten. Ik sprak met Hans Giesbertz (1954) over zijn jeugd in deze wijk.

“Ik denk dat we meer bij Nijmegen-Oost hoorden dan bij het centrum. Dat was heel vroeger wel anders. Mijn oudste broer ging naar de Mariaschool in Kelfkensbos. Omdat de school door de oorlog heel erg beschadigd was, zijn ze rond 1950 naar de Hugo de Grootstraat verhuisd. Vanaf toen zijn we veel meer bij Nijmegen-Oost betrokken geraakt. Want behalve de school, werden we ook parochianen van de Maria Geboortekerk, die vroeger veel vaker bezocht werd dan nu. En als er iemand ziek was, gingen we naar het Wilhelmina-ziekenhuis. Nu zit daar het verpleeghuis Margriet. De grote boodschappen deden we nog steeds wel in de stad, maar voor kleine benodigdheden gingen we naar Oost. Bij Eisenburger bijvoorbeeld, een kleine kruidenier in de Mr. Franckenstraat. Als we naar school waren geweest, moesten we wel eens op de terugweg kaas halen. Maar dan was de kaas zo lekker, dat we het vaak al onderweg opaten. Dan kregen we thuis op onze donder.”

“Bij ons in de eigen wijk waren niet zoveel winkels. Wel was er een snoepwinkel van Kneuman die later Heslop heette, en een aardappelzaak, van Heijmans. Zijn zoon verkoopt ze nu nog op de markt. En oma Heijmans had in huis wat kleine kruideniersspullen die ze inkocht bij een groothandel. Als je dan eens melk of suiker tekort kwam, kon je ’s avonds nog even aankloppen. Er was vroeger wel meer bedrijvigheid in de wijk dan tegenwoordig. Er waren bijvoorbeeld twee cafés. De Polderkamer, in de bocht van de Ooijse Dijk, trok veel toeristen aan. Café Zanzibar was een beetje een duister cafeetje. Prostitutie en zo. En je had wasserij Van Meteren die voor de hele omgeving waste. Er werkten een hoop mensen. Op de dijk zat smit- en machinefabriek Geveling. Op die plaats ligt nu nog steeds een verroest rad. Daarnaast zat een fietsenzaak, Huijbers. Ook was er, voor op de Ooijsedijk, de smederij van Hilbers. Er was een korte tijd Op de Ubbergseweg een hobbyclub voor kinderen, hier kon je figuurzagen en timmeren. Ter hoogte van deze hobbyclub woonde de familie Alders waarvan de zoon Hans later nog minister van VROM en commissaris van de Koningin te Groningen werd. Naaiatelier Dombo maakte kinderkleding, daarvoor zat er een boerderij van boer Faber. En olieboer Van Haaren reed in heel Nijmegen rond om mensen te voorzien van olie. Kachels liepen toen nog niet op gas.”

“Veel mensen kenden elkaar in de wijk. Je werd soms goed in de gaten gehouden. In mijn jeugd was de sociale controle sowieso groter dan nu. Als kind wilde ik een keer naar de dodenherdenking bij het Jan van Hoof monument. Maar ik werd door mensen in de buurt tegengehouden: ‘Hoho, dat mag niet, daar ben je te jong voor’. Ik was een jaar of vier. Dat soort dingen kwamen wel voor, want iedereen kende je in de buurt. Je deed ook veel dingen samen. Vroeger liepen we bijvoorbeeld met een hele grote groep naar school. Met vijftien of twintig man, gingen we met z’n allen van huis. Er liepen een aantal broers en neven van me mee. Soms droeg de jongste de tas van de oudste. Het waren allemaal jongens, want we gingen naar een jongensschool. De meisjes gingen naar de Wedren. Omdat het berg op was, had het geen zin om met de fiets te gaan. Nadat we de Nieuwe Ubbergseweg waren overgestoken, kwamen we langs een groot grasveld. Via het grasveld konden we een stuk afsnijden. Op het gras stonden bordjes met ‘verboden toegang’. Als je erover liep, werd je meteen door de parkwachter opgewacht. Eén keer heeft hij zelfs een klacht ingediend op onze school.”

“Op school kregen we les van broeders. Bepaalde klassen hadden altijd dezelfde broeder. Klas 6b bijvoorbeeld had altijd broeder Ronaldo. Rond 1963 kwamen er ook leken bij. Deze meesters zetten het schoolvoetbal op. Er werden wedstrijden gespeeld tegen andere scholen, tijdens het paasvoetbaltoernooi.
Er zijn toen wel meer dingen veranderd door de overgang van broeders naar meesters. We kregen gymles en zwommen één keer in de week in bad Oost. Ook kwam er één keer in de zoveel tijd een schooltandarts langs. Dat vond ik altijd verschrikkelijk. Dan kwamen ze met zo’n busje op het schoolplein en werd je uit de klas gehaald. Als je een gaatje had, werd dat daar meteen gevuld. En dan werd de volgende leerling gehaald. De tandarts stond er meestal een week of twee.”

“Op school werden we niet gezien als de jongens van het Ooijse Schependom. We vormden met de jongens uit Nijmegen-Oost één geheel. Thuis speelde ik wel vooral met de jongens uit de buurt. Er waren wel meisjes, maar die zag je minder vaak buiten. De jongens gingen in de winter sleetje rijden en ook vaak cowboytje spelen in de struiken. En met het hooi was het ook altijd leuk. Daarvan bouwden we altijd hutten. Onze buurt was erg geschikt om in de spelen. Onze hond liep altijd zonder lijn rond. Dat kun je je nou niet meer voorstellen.”
“In de zomer gingen we vaak zwemmen in de Waal. Dat zie je tegenwoordig ook weer steeds vaker gebeuren. Maar aan het eind van de jaren zestig was het water zo vuil, dat de mensen niet meer kwamen. In de Waal lag heel vroeger een zwembad. Dat waren twee losse bakken in het water, zodat jongens en meisjes gescheiden konden zwemmen. Het zwembad was zo gebouwd, dat je er niet onderuit kon vallen. Ik heb wel eens gehoord dat het water erg vuil was en dat de drollen in het water dreven. Op een gegeven moment werd het zwembad gesloten. Bolhoeve kocht het onderstel van het zwembad op en zette er een woonboot op. Die had mijn vader gebouwd.’ ‘Bolhoeve verhuurde kano’s. Heel veel mensen hadden er een. Ik heb zelf nooit echt gekanood, daar was ik eigenlijk te jong voor. Toen ik de rivier opmocht, eind jaren zestig, werd het verboden om met kano’s op de Waal te varen. Maar destijds waren er verschillende kanoclubs in de haven, bij Bolhoeve en Van der Zanden. Ook toen voeren op de Waal al grote schepen. De jongens probeerden dan altijd aan te leggen, zodat ze mee konden liften. Ook gingen ze wel eens naar de Bizonbaai toe en dan kwamen ze terug met wel twintig of dertig kano’s aan elkaar. Mijn vader heeft een keer, toen er ’s winters weinig te doen was, iets van vijfentwintig kano’s gemaakt. Hij verkocht er een stuk of twintig en de rest hielden we zelf. Met Pinksteren gingen mijn ouders op bezoek bij mijn oudere broers en vrienden die op een eilandje op de Byland bij Lobith kampeerden. Ook de ouders van die vrienden gingen dan mee. Dan werden ze door de jongens opgehaald met de kano. Dan ging met vader met z’n zondagse pak zo de kano in.’ ‘Heel soms vroor de Waal dicht en konden we erop schaatsen. In de winter van ’63 bijvoorbeeld. Maar dat was wel uniek hoor. Meestal schaatsen we op de Oude Waal of op ondergelopen weilanden. ’s Winters was het water zo hoog, dat de uiterwaarden onderliepen. Het was daar ook niet zo gevaarlijk.”

De heer Hans Giesbertz werd op 8 september 2008 geïnterviewd door Nelleke Haverkate


Herinneringen van de heer Hans van Os (1932 – 2011)

vanosDe heer Hans van Os en Nijmegen Oost zijn onafscheidelijk. Zijn hele leven heeft hij doorgebracht in Nijmegen Oost, in de schaduw van de Maria Geboortekerk aan het Mariaplein. Daar woonde hij en daar was in de Dominicanenstraat zijn kledingzaak, later VOTEX geheten: Van Os Textiel. Hij was – samen met zijn vrouw Tineke – vrijwilliger in de kerk, in allerlei functies, en bij de dreigende sluiting van de kerk in 1992 was hij een van de drijvende krachten om de kerk open te houden.
Hans werd in 1932 in de wieg gelegd in de Pater Brugmanstraat. Zijn vader was Johannus H. van Os en zijn moeder Anna van Os – van der Velden.

De dichtstbijzijnde lagere school lag achter de Hertogstraat. Je moest dan een poortje door en daar – op de Jozefhof – lagen drie scholen, bestierd door de broeders van Maastricht. Hij volgde de derde, vierde en vijfde klas in oorlogstijd. Toen Nijmegen in 1944 gebombardeerd werd was hij toevallig thuis. Hij speelde veel op straat, maar in sommige straten mocht hij niet komen. De Van de Havestraat met zijn buurtjes, daar mocht een jongen uit de Pater Brugmanstraat niet gezien worden.
Na de lagere school ging hij naar de gemeentelijke HBS op de Bijleveldsingel en doorliep deze zonder veel problemen. Daarna ging hij naar de Middelbare Detail Handelsschool. In 1950 ging Hans werken als vertegenwoordiger, dat leek hem een leuk beroep met veel vrijheid. Hij kwam in dienst van een textielgroothandel. Zijn taak was langs winkels en bedrijven te gaan om bestellingen op te nemen. Het was na de oorlog, Nederland moest weer worden opgebouwd: Handen uit de mouwen. Er moest geld verdiend worden.

Kledingmagazijn in de Dominicanenstraat.
In 1953 ging hij voor zichzelf werken. Een eigen zaak. Hij specialiseerde zich in kloosterkleding. In Nijmegen waren – in verband met de katholieke universiteit – zo’n 120 verschillende religieuze gemeenschappen, gevestigd in grote herenhuizen of in in de dertiger jaren nieuw gebouwde kloosters. De meeste daarvan waren studiehuizen.
Vanuit zijn magazijn in het souterrain van de Dominicanenstraat 1 bezocht Hans met allerlei staaltjes stof de kloosterkleermakers. De zaken liepen goed want er waren voortdurend nieuwe aanmeldingen in de kloosters. En volgens het gebruik toendertijd liepen de paters, broeders, fraters in kloosterkleding over straat: een zwart-wit habijt voor de paters Dominicanen, een bruine pij voor de Franciscanen, de Jezuïeten droegen een zwarte toog, de Benedictijnen in een grijze kovel, enzovoort.
Er was nog een doelgroep, waar Hans zich op ging richten: In de vijftiger jaren was het gebruikelijk dat je elke zondag in een net pak naar de kerk ging. Hans maakte een showroom met heren- en jongenskleding.
Als katholieke kinderen op 8 jarige leeftijd hun eerste heilige communie deden werd er een “communie-pak” gekocht voor de jongens. Meisjes kregen een mooie witte jurk. Die konden ze bij andere gelegenheden gebruiken, bijvoorbeeld als er vanuit de kerk een processie gehouden werd. Daar liepen jonge meisjes als “bruidjes” in mee. Bij Hans konden de jongens verschillende modellen communiekleding kopen, uiteraard in verschillende prijsklassen.
Ook buiten het klooster was handel: kleermakers hadden mooie stoffen, knopen en fournituren nodig want een respectabele burger liep in de jaren vijftig in een maatpak, dat door een kleermaker was opgemeten en gemaakt. De confectiekleding van C&A, Peek en Kloppenburg, Meddens was aan hen niet besteed. In Nijmegen Oost waren vijf kleermakers, die Hans dan ook bezocht. Het bedrijf groeide, het souterrain in de Dominicusstraat werd te klein. Er kwamen mensen bij in de zaak, er werd een magazijn geopend aan de Weurtseweg. VOTEX bestaat nog steeds, nu gevestigd aan de Hogelandseweg op het industrieterrein.
Na het overlijden van zijn moeder trokken Hans en zijn vrouw in bij zijn vader, weer terug op de Pater Brugmanstraat en daar woont hij nog steeds.
Er kwam tijd vrij om zich met andere zaken te bemoeien

Vakschool voor Mode en Kleding
Naast zijn zorgen voor de zaak ging Hans les geven aan de Vakschool voor Mode en Kleding: “de Marga Klompéschool”, op het Julianaplein (nu het kantoor van o.a. Tandem).
Dat vond hij leuk, met name het vak marketing. Je kan wel een mooie jurk ontwerpen, maar het moet ook verkocht worden. Hij leerde de meiden de kneepjes van het verkopen, een goede babbel hoort er bij. Daarmee bouw je een relatie op met de toekomstige klant. Met zijn connecties in de modewereld kon hij het een en ander doorgeven. Hij was een graag geziene docent op deze school. Hij organiseerde van alles: een modeshow in het teken van het carnaval van Venetië. Hij richtte op school een mini-onderneming op, waar je het vak kon oefenen in de praktijk. De leerlingen moesten wat zien van de wereld: uitstapjes, de blik verruimen. Zo is hij met 60 leerlingen – twee bussen vol – op bezoek gegaan bij de modeontwerper Frans Molenaar in Amsterdam. Die wist even niet wat hem overkwam, maar voor de leerlingen was het een fantastische dag.

Missiecomité en collectantencollege
Hans ging trouw elke zondag naar de kerk, bij de paters Dominicanen op het Mariaplein. Daar werd hem gevraagd of hij mee wilde doen met het missiecomité van de parochie, samen met de heer Bellaert en Mevrouw Geertsen uit de Museum Kamstraat. Er moest geld verzameld worden voor paters in de missie, voor zusters met een ziekenhuis in India, de fraters met een school in Bangladesh. Er was veel geld nodig, en de mensen uit de parochie hadden het zelf ook niet breed. De oorlog had een hoop verwoest. Maar in de missie waren de omstandigheden nog veel erger, dus er kon daarvoor wel een centje vanaf. Met collectes aan de kerkdeur, na een preek van een missiepater of –zuster, en met andere acties (een tombola, een feestavond, een rommelmarkt in de kelder onder de kerk), werd de kas van het missiecomité gevuld en konden de bedragen overgemaakt worden naar het goede doel.
Hans was ook collectant, dat was binnen de parochie een aparte groep: het college van collectanten. Tot ± 1970 had elke parochie zo’n groep. Er waren elke zondag vijf missen, waarin gecollecteerd werd “voor onderhoud van kerk en geestelijkheid” en ook voor bijzondere doelen. Zo’n 30 of 40 mannen waren hiervoor nodig. Van een collectant werd verwacht dat hij in een net pak met de collecteschaal rondging. Misschien heeft Hans zijn collega-collectanten kledingadviezen gegeven? Hans is geruime tijd voorzitter geweest van dit college, hij regelde wanneer iemand aan de beurt was, en ook het jaarlijkse uitje. Het collectanten college van de Maria Geboorte parochie is in januari 2009 opgeheven.

Kerksluiting
In 1992 vertrok pater Jos Beckers, de laatste pater Dominicaan. Er zou geen nieuwe priester komen en het bisdom wilde de Maria Geboortekerk sluiten. Het kerkbezoek was te gering en er waren vier andere katholieke kerken in de wijk. Ook de grote pastorie stond half leeg. Een deel van de pastorie is ooit verhuurd geweest aan het Centrum voor Transcendentale Meditatie – TM, in die tijd een concurrent voor het katholieke geloof. Een comité – waar Hans uiteraard in zat – heeft hemel en aarde bewogen om de kerk open te houden. Er werden allerlei financiële acties, loterijen, enzovoorts georganiseerd, waarbij half Nijmegen ingeschakeld werd. Een van de hoogtepunten was de verloting van een auto. Ook burgemeester Ed d’Hondt verleende medewerking bij hun activiteiten. Zo is er een financiële ondergrond gemaakt voor een doorstart van de parochie. Een religieus instituut uit Frankrijk – de Emmanuelgemeenschap – stuurde jonge priesters, die de pastorie weer bevolken. Daaromheen verzamelde zich in de loop de tijd tal van nieuwe vrijwilligers.
Nu in 2009 is Hans lichamelijk niet meer in staat hand en spandiensten te verrichten, maar zijn blik is nog steeds gericht op de parochie. En als hij bij een wandeling in de buurt komt steekt hij nog altijd een kaarsje aan in de Mariakapel.

Huwelijk
Hans heeft zijn vrouw Tineke leren kennen toen zij in Nijmegen Oost in het protestantse Wilhelmina ziekenhuis werkte – nu Verpleeghuis Margriet. Zij wilde de opleiding voor kinderverpleegkunde halen, en dat kon in 1954 alleen in dit ziekenhuis. Drie katholieke meisjes kregen van het ziekenhuisbestuur toestemming om daar werken. Maar om hen voor het katholieke geloof te behouden werd er een Pater Dominicaan van de pastorie – Pater Schaeffer – ingeschakeld, die regelmatig een gesprekje met hen hield. In het ziekenhuis was het de gewoonte op zondagmorgen in het trappenhuis met alle verpleegsters Psalmen te zingen. Dat was een bijzondere gewaarwording voor een katholiek meisje. Later is Tineke gaan werken in de Maartenskliniek. Hans heeft deze berg menigmaal beklommen voordat hij van haar het jawoord kreeg. Ze hebben samen vier dochters gekregen.

De Gruyter
Op het Mariaplein stond de winkel van De Gruyter.
Het was een kleine maar stijlvolle winkel. De Gruyter bood de service dat ze de boodschappen aan huis bezorgde. Daar was een vaste bezorger, bekend onder de naam Piet. Mevrouw Van Os herinnert zich dat haar dochter op het aanrecht klom als Piet de boodschappen kwam leveren. Ze hielp dan de doos uitpakken. Piet was haar vriend. Wie weet had Piet wel meer vriendinnen in de wijk…? Want in de boodschappendoos zat “het snoepje van de week”, een klein speelgoedje, een fluitje of een autootje, meestal van plastic.
De slagzin van De Gruyter was: “Én betere waar én 10 procent, alleen bij de Gruyter”. Dat van die 10 procent, dat ging zo. Als je bij de kassa betaalde kreeg je een kassabon met het bedrag erop. Die moest je bewaren en als je dan voor 10 gulden bonnen bij elkaar had gespaard, kon je ze inleveren bij de juffrouw aan de kassa. Dan kreeg je zomaar 1 gulden terug.
Het concern is ten onder gegaan in de concurrentie met de opkomende supermarkten.

gruijter

Ten slotte
Op 9 juli 2011 is Hans van Os overleden. Zijn werkzame leven is afgesloten.

Interview, december 2008 Anton van der Meer


Gesprek met de heer Harry Burgers (1924) op 29-12-2009

In Hengstdal
We zitten met een kopje koffie aan de tafel voor het raam in de huiskamer van Harry (85) en Corry Burgers (81) aan de Hengstdalseweg. Zij zijn beiden weliswaar hoogbejaard maar nog bijzonder vitaal, hartelijk en goedlachs. Ze wonen al 55 jaar met veel plezier in ditzelfde huis. Hier hebben ze hun 5 kinderen zien opgroeien in ‘een ideale omgeving’. Beiden zijn geboren Nijmegenaren, zij komt van de Van Peltlaan en hij is in 1924 geboren in de Lange Hezelstraat, waar zijn vader een kruidenierswinkel dreef.
De tafel staat zo dat er een riant uitzicht is op ‘de lus’, ooit aangelegd als eindpunt en draaipunt voor de trolleybus. De trolley is vervangen door de stadsbus, de lus is nu een groen plantsoen met mooie volgroeide bomen. Wat verderop zien we op het grasveldje bij de kruising van de Hengstdalseweg met de Berg en Dalseweg het robuuste beeld van Pegasus, het mythische gevleugelde paard, dat sinds 1965 hier staat, recht tegenover de ingang van St. Maartenskliniek (gemeente Ubbergen).
Veel mensen denken dat de wijk Hengstdal is genoemd naar dit beeld van Ed van Teeseling, maar de naam is al eeuwenoud en verwijst naar het erosiedal aan de overzijde van de Berg en Dalseweg dat tijdens de laatste ijstijd is uitgesleten door het smeltwater. Het Hengstdal is nu een natuurgebied van 4 ha groot, waarvan de toegang wordt gemarkeerd door een wit boerderijtje, half verscholen achter de Berg en Dalseweg. Harry legt uit waarom dat huis nu zo laag ligt: ooit lag het aan de weg zelf, maar de weg is hier verhoogd, zo rond 1911, om de doorgang mogelijk te maken voor de stoomtram richting Berg en Dal, toen een toeristenoord.
Harry hecht zeer aan dit uitzicht, hoe zeer blijkt bijvoorbeeld uit het succesvolle protest dat hij en medewijkbewoners voerden tegen de bouw van een verpleegstersflat voor de Maartenskliniek juist in dat mooie plantsoentje van Pegasus, zo’n dertig jaar geleden. Ook het protest tegen de vier verdiepingen tellende flat recht tegenover was redelijk succesvol, het zijn uiteindelijk drie verdiepingen geworden. Deze flat is van recente datum en vertegenwoordigt een van de ergernissen van Harry Burgers:’ze bouwen het veel te vol allemaal’. Dat was vroeger wel anders op deze plek.
Hoe het was
Het gezin Burgers kwam in 1932 vanuit de Lange Hezelstraat in Nijmegen-Oost wonen, aanvankelijk in de Heydenrijckstraat en enkele jaren later aan de Berg en Dalseweg, tegenover de Tuchtschool, nu de Justitiële inrichting De Hunnerberg. Het uitzicht aan de achterkant van hun woning was toen nog vrij, je keek uit op de Sophiaweg en het terrein van de villa Westerhelling. Harry woonde toen op een flinke steenworp van het Hengstal, de plaats die al van jongs af aan een grote aantrekkingskracht op hem uitoefende. Reeds als klein jongetje was het Hengstdal als eindpunt van tramlijn 1 een plaats ‘heel ver weg’, die daardoor ook iets aanlokkelijks en avontuurlijks had. Eenmaal beland in de Heydenrijckstraat trok Harry vaak met zijn vrienden op de fiets naar het Hengstdal, een ideale plek om rond te struinen. Hij noemt locaties als “De vier bankjes” en “de Biessen put”, waar nu sportvelden en de speeltuin De Leemkuil liggen. Daar was ook het unieke voetbalveld van de Trekvogels, het enige voetbalveld in Nederland dat niet horizontaal was omdat het op een lichte helling lag.
De wijk Hengstdal was toen nog vrijwel onbebouwd, alleen langs de reeds lang bestaande doorgaande wegen als de Van ’t Santstraat, de Broerdijk en de Berg en Dalseweg was wat lintbebouwing. De wijk is tussen de jaren’20 en ’50 bebouwd. Harry herinnert zich nog dat in 1933 de Christus Koningkerk aan de Van ’t Santstraat werd gebouwd. 60 jaar later, in 1993, werd de kerk vanwege het afnemende aantal gelovigen gesloopt, maar de markante 68 meter hoge toren bleef behouden en werd geïntegreerd in het nieuwe winkelcentrum en de appartementen die verrezen op de plaats waar eens de kerk had gestaan. De oorspronkelijke koperen spits was na een zware storm in 1990 verwijderd, tot in 2005 een door scholieren vervaardigde kopie van de naaldvormige spits werd teruggeplaatst. Zo blijft de toren een beeldbepalend element in de wijk Hengstdal.
Het huis waar Harry en Corry wonen aan het einde van de Hengstdalseweg dateert van 1954. Het was gloednieuw toen zij het betrokken na een roerige periode van ruim 10 jaar in het leven van Harry.De oorlogsperiode
Toen Harry in 1943 eindexamen had gedaan werd hij geconfronteerd met het toevallige maar rampzalige feit dat hij ‘een week te laat geboren was’. Was hij niet op 7 januari maar in december geboren, dan was hij niet opgeroepen door de Duitse bezetter voor de Arbeitseinsatz. Alle jongens met het geboortejaar 1924 werden in Duitsland te werk gesteld. Harry probeerde daaraan te ontkomen, maar meldde zich uiteindelijk toch omdat anders zijn broer in zijn plaats had moeten gaan. Daarmee brak een donkere periode aan: hij belandde in het beruchte strafkamp Ommen en later ergens diep in Duitsland tegen de Poolse grens, waar hij in een kamp te werk werd gesteld als dwangarbeider. Daaruit wist hij eind 1943 te ontsnappen samen met een kameraad, waarna hij thuis aan de Berg en Dalseweg onderdook tot de bevrijding van Nijmegen in september 1944.
De oorlog eiste zijn tol in het gezin Burgers. Niet alleen trok het diepe sporen in het gemoed van de 20-jarige Harry, zijn zuster kwam om bij het bombardement in februari 1944 en zijn vader raakte in september ‘44 levensgevaarlijk gewond door een granaat en stierf, toen de Duitsers het munitiedepot bij de Tuchtschool tegenover hun huis met veel geweld opbliezen tijdens hun gedwongen aftocht.
Na de bevrijding meldde Harry zich aan als oorlogsvrijwilliger voor de EM, de Expeditionaire Macht, om Indië te helpen bevrijden van de Japanse bezetter. Tijdens zijn militaire opleiding in Engeland capituleerden de Japanners in augustus 1945, waarna hij eind 1946 werd uitgezonden naar Indië om deel te nemen aan de eerste Politionele Actie. Daarvan keerde hij gewond terug eind 1947, juist op tijd om zijn moeder te begraven. Harry werd als militair afgekeurd wegens zijn verwonding en van zijn plichten ontheven op 1 januari 1948. Toen kon hij zich wijden aan de wederopbouw van zijn persoonlijke leven.De wederopbouw
Harry had zijn droom om te studeren aan de universiteit door de omstandigheden in rook zien opgaan en begon voortvarend een avondstudie sociale geografie aan de Tilburgse Leergangen. Overdag werkte hij bij een verzekeringsmaatschappij. In 1950 behaalde hij zijn diploma en werd leraar aardrijkskunde aan het Titus Brandsma Lyceum in Oss. Na anderhalf jaar leraarschap belandde hij via via op het Nederlandse consulaat generaal in Frankfurt /Main als hoofd van de kanselarij, waar hij een paar jaar werkte. Aanvankelijk verbleef hij daar als vrijgezel, en toen hij in 1953 trouwde, ging Corry met hem mee. Ze keerden daarom in 1954 terug naar Nijmegen-Oost, en trokken in hun huidige woning aan het einde van de Hengstdalseweg. Harry werd inspecteur bij het GAK (belast met de uitvoering van sociale verzekeringswet). In Hengstdal brak een gelukkige en stabiele periode aan in het leven van Harry en Corry. Ze stichtten een gezin waarin drie dochters en twee zonen werden geboren en ze stortten zich volop in het wijkgebeuren.

De wijkbewoner
Harry Burgers prijst zich gelukkig dat hij al 55 jaar mag wonen op de plek die al in zijn jeugd zijn hart gestolen heeft. Nijmegen-Oost en meer specifiek Hengstdal is in de ogen van Harry Burgers ‘een zeer aangename wijk, zowel qua bewoners als qua omgeving’. Men is heel vriendelijk voor elkaar, en zegt elkaar op straat meestal goedendag. De mensen gaan soepel met elkaar om, men heeft respect voor elkaar en is niet té nieuwsgierig. Hij betreurt het dat er veel groen is opgeofferd aan woningbouw, de uitbreiding naar Nijmegen-Noord, ‘de Waalsprong, had veel eerder gemoeten’.
De betrokkenheid bij de wijk was aanvankelijk geïnspireerd door het RK geloof en de kinderen. Hij gold in wijk als het ‘katholieke gezicht’, en was overal bij betrokken. Harry werd al snel voorzitter van de Vincentiusvereniging (maatschappelijke dienstverlening), lid van de oudercomités van de scholen van de kinderen, sportleider bij de voetbalclub Orion en IVN natuurgids. Hij bezocht op zondagen trouw de Christus Koningkerk of de kapel in de St. Maartenskliniek. Als progressief katholiek in de lijn van mgr. Bekkers vervreemdt hij uiteindelijk steeds meer van de katholieke kerk. De sociale betrokkenheid is gebleven, en dat uitte zich toen en nu in talloze vrijwilligerswerkprojecten en bestuurstaken, al dan niet aan de wijk gebonden. ‘Om een goed mens te zijn heb je God helemaal niet nodig’, stelt hij.

Veranderingen (in materiële – en immateriële zin)
Hij herinnert zich: – de bouw van een kapperszaak (1932) waar nu de wijkwinkel is (hoek Heydenrijckstraat – Daalseweg); – de bouw van het Sportfondsenbad; – zijn wekelijks bezoek aan het badhuis; – de vlucht van de Zeppelin (1936?); – de verlenging van de Rembrandtstraat oostwaarts; – de aanbouw van de grote westvleugel van het Canisius College; – de 3de dag- route van de Vierdaagse door de Heydenrijckstraat, waar voor de oorlog o.a. de Koloniale Reserve en in 1939 de Hitlerjugend marcheerden. Hij herinnert zich verder: – de trekhond onder de melkkar; – de verkoop van wit zand en van mosselen; – de erbarmelijke armoede van veel mensen in de crisistijd, en de protesttochten van werklozen onder begeleiding van politie te paard; – de gaarkeukens etc.; – de hangplek op de hoek van de Langeveldstraat en Daalseweg; – veel leegstaande huizen; – het spelen op straat, bokspringen, pinkelen, boomverwisselen, steltlopen, verspugen, knikkeren, verstoppertje spelen enz.
In zijn ouderlijk huis het vele bezoek van geestelijken als huisvrienden, o.a. pater Holtus S.J.; pater Ter Ellen, Carmeliet; pater Titus Brandsma, pastoor Van de Heijden, kapelaan Brokken, broeder Trudo en broeder Rolandus Raven.
Op de vraag naar veranderingen in de wijk geeft Harry een typerend antwoord: hij vindt dat hij zelf is veranderd én dat de tijd is veranderd. ‘We leven nu in een veel menswaardiger tijd’. Hij raakt daarmee aan een punt dat hem na aan het hart ligt: elk mens heeft de opdracht om zelf na te denken en zichzelf te ontwikkelen. In deze lijn doordenkend kijkt hij niet altijd positief naar het verleden, naar zijn generatie en de rol van kerk en overheid. ‘We waren geïndoctrineerd! En slecht geïnformeerd, we wisten totaal niet waar we aan begonnen toen we naar Indië gingen’. Harry trekt zijn eigen conclusies en is rond 1980 de oprichter van een van de eerste gespreksgroepen Nederland-Duitsland. Hij richt daarnaast de gespreksgroep Oud-Jong op, waarin ouderen voeling houden met wat er bij studenten leeft. Helaas is deze groep ter ziele omdat studenten tegenwoordig studiepunten moeten verdienen met hun extra-curriculaire activiteiten. Het eerste wat hij deed toen hij twintig jaar geleden met pensioen ging was ‘alle bibliotheken van de universiteit bezoeken om te zien wat ik nog niét weet!’. Nadat hij een solo fietstocht van 1400 km naar Zuid-Frankrijk had voltooid om zijn oudste zoon te bezoeken die daar een goedlopend restaurant drijft, stortte hij zich volop in het vrijwilligers werk. Het is bijna teveel om op te noemen: zo deed hij jarenlang bestuurswerk voor RIBW (beschermd wonen voor psychisch zieke mensen), en is hij vrijwilliger voor de stichting Moria, waarin hij twee ex-criminele jongeren begeleidt. Hij is verbonden aan het COL, het Centrum voor Ouderen met Levensvragen. En sinds enige tijd neemt hij deel aan de werkroep ‘wijkgeschiedenis’ van het wijkcomité Oost. In landelijk verband is hij actief in de Nederlandse Vereniging voor een Actief Levenseinde en hij is lid van de SP.
Met een ander deel van zijn activiteiten belichaamt hij het ideaal van de ‘education permanente’. Zo volgt hij cursussen bij de HOVO (hoger onderwijs voor ouderen), draait wekelijks in een zaaltje van de bibliotheek CD’s met hoorcolleges voor een vaste groep belangstellenden (op dit moment bijvoorbeeld de serie van 8 colleges van prof. Herman Philipse over ‘Godsgeloof en Atheïsme’), en hij neemt deel aan een studiekring waarin mensen hun eigen onderwerpen presenteren. En dan vindt hij nog tijd om te ontspannen in een bridgeclub en de trimclub HUF. Harry noemt zichzelf een ‘organisator’, ‘een vent die leeft!’ ’Ja, ik heb een hele volle week’ zegt hij, ‘én een vrouw die daar begrip voor heeft. Dat is heel belangrijk. Zij weet hoe ik ben’. Dat de gemeenschap zijn inzet en sociale betrokkenheid kan waarderen blijkt uit de Koninklijke onderscheiding die hij mocht ontvangen. Hij is best trots op zijn lintje en hij draagt het speldje met zwier op zijn revers. Maar het meest trots is hij op zijn vrouw, kinderen en kleinkinderen. ‘Jezelf kunnen zijn en blijven is heel belangrijk. Ja, ik heb een ideaal huwelijk’, glundert hij.

de heer Harry Burgers werd geinterviewd door Ellen Hijmans


Gesprek met Mw. Bea Peeters- Nillesen

Nijmegen Oost door de ogen van een IVN natuurgids
Mw. Bea Peeters was projectleider bij het IVN Consulentschap Gelderland (een groene organisatie die mensen actief betrekt bij natuur, milieu en landschap) en sinds kort met pensioen. Desondanks is zij nog parttime actief als projectleider bij de Stichting Nationale Boomfeestdag in Tilburg. Daarnaast is zij als vrijwilligster landelijk voorzitter van het IVN Cursushuis en natuurgids/cursusdocent bij IVN/Rijk van Nijmegen. Zij is op dit moment betrokken bij de Overasseltse en Hatertse Vennen, en het Kastanjedal en omgeving in Beek.
Dat zij het natuur- en milieuwerk als haar beroep heeft gekozen ligt in de belevingswereld van Bea Peeters eigenlijk voor de hand. Geboren in 1944 in Nijmegen Oost, op de hoek van de Beukstraat met de Abeelstraat, hebben haar vroegste jeugdherinneringen al betrekking op de natuur in en rond Nijmegen Oost. Zo heeft zij een levendige herinnering uit haar kleutertijd aan een wuivend korenveld naast de Tuchtschool Hunnerberg, een plaats waar nu huizen staan, zoals op meer voormalige groene plekken in Oost. Mw. Peeters denkt dat zij haar betrokkenheid bij de natuur genetisch heeft meegekregen van haar voorouders aan vaderskant, die uit het gebied van de stuwwal afkomstig zijn. Zo was er een oom in Beek/Ubbergen, bij wie zij haar vrije woensdagmiddagen en het weekend vaak doorbracht omdat haar ouders een zaak hadden in de In de Betouwstraat. Deze oom woonde op de stuwwal en vertelde heel veel over de natuur. Haar tekenleraar liet haar bloemen en planten tekenen en al lukte dat minder goed, haar belangstelling voor de natuur is toen definitief ontwaakt. Toen zij later moeder werd van twee kinderen kwam daar de zorg voor natuur- en milieubehoud bij. “Ik wilde graag dat zij ook nog zouden kunnen blijven genieten van de diversiteit in het landschap. Ik heb mezelf toen de plicht opgelegd dat te behouden en door te geven”.
Aldus gebeurde het dat zij 33 jaar geleden IVNgids werd, en sindsdien met enige regelmaat mensen rondleidt in en om Nijmegen, van de Duivelsberg tot en met de diverse stadsparken zoals tijdens de jaarlijkse Parkendag.
De stuwwal
Bea Peeters vertelt met aanstekelijk plezier over haar lievelingslandschap, het stuwwalgebied. Dit is een voor Nederland uniek landschap, maar niet iedereen beseft dat. Wat het zo uniek maakt is de afwisseling van hoog en laag: aan deze kant de Nijmeegse stuwwal en het Reichswald en aan de andere kant de heuvels van Arnhem en het Montferland. Die tegenstelling tussen de Ooypolder in de laagte, en de stuwwal die daarboven oprijst is on-Nederlands mooi. Een bijzondere schoonheid, die juist door de combinatie van hoog-laag nog eens extra benadrukt wordt, zoals in het yin-yang principe. Die landschappelijke tegenstelling en de verschillen in flora en fauna van de hogere delen en de door ijs en water uitgesleten dalen, waar ook löss te vinden is, maakt dit landschap tot haar favoriete plaats die zij in haar hart gesloten heeft. Hier liggen haar roots en hiernaar keert Bea Peeters altijd weer met plezier terug.De bijgaande foto geeft een impressie van dit sprekende landschap.
Deze foto heeft Bea gekozen als haar favoriete landschap voor een cursus ‘Leesbaar Landschap’ omdat hierin de tegenstelling zo duidelijk naar voren komt. Die harmonieuze yin-yang tegenstelling maakt het juist interessant, net als andere zaken in de wereld. Enthousiast: “Kijk, iets heel moois wordt alleen maar mooier als er iets bij is, wat een tegenstelling is”.

De Arnhemse en Nijmeegse Stuwwal
Het hele gebied tussen Arnhem en Nijmegen vormt in feite één landschappelijk geheel, waar in de ijstijd twee enorme ijstongen lagen in de vorm van een grote W. Omdat beide steden elk aan één kant van de W lagen zijn beide stuwwallen 180º gespiegeld aan elkaar komen te liggen. Daardoor is de natuur op beide plaatsen ook verschillend, omdat zij elk een andere positie innemen ten opzichte van de zon en de wind. Zo is er aan de Arnhemse kant weinig löss te vinden, een door de wind aangebrachte bodemafzetting van de Noordzee, die in die tijd droog lag. Ook de verdeling van de grondsoorten is wat anders waardoor er ook wat andere bomen en planten groeien, waarna de fauna weer volgt.
Wat in de wandeling in Nijmegen Oost wel de stuwwal wordt genoemd, is strikt genomen de afvlakkende overgang naar een spoelzandvlakte, die zich uitstrekt van de Maartenskliniek naar de Graafseweg tot aan Heumensoord en het diep gelegen Maldens Vlak met het zweefvliegveld. De stuwwal begint pas echt bij de heuvels van de Maartenskliniek, richting Berg en Dal en het Reichswald. De spoelzandvlakte heeft wel een duidelijke relatie met de stuwwal want hij bestaat uit eeuwenlang afgeërodeerd zand en grind van de wal die ooit 200 meter hoog was, en die nu nog maar een hoogte heeft van 80 meter, voor Nederlandse begrippen toch niet onaanzienlijk.

Het Patersbosje
Het IVN organiseert talrijke excursies in en om Nijmegen, onder andere voor scholen en groepen. In Oost kunnen we dan denken aan Mariënbos (het ‘bloemetjesbos’), Villa Salatiga, het voormalige klooster waar de resten van Fort Sterrenschans tot voor kort te zien waren, en het Patersbosje op het terrein van het voormalige Canisiuscollege. Het Patersbosje is een heel aardig bosje, waar de paters Jezuïeten vroeger brevierden en nadachten. Tijdens een excursie wordt dan verteld over de geologie, de geschiedenis van het Canisius en de aanwezige planten en dieren. Er staan wat exotische bomen, maar dat is toch niet uniek want er staan er wel meer in het boomrijke Nijmegen Oost. Bijzonder is dat de buurtbewoners inmiddels zelf voor het onderhoud van het bosje zorgen.

Kennismaken met Oost op de fiets
Op de vraag hoe nieuwe bewoners van Oost het beste zouden kunnen kennismaken met de unieke plekken waar Oost zo rijk aan is, stelt Bea Peeters zich voor dat ze samen met die nieuwe bewoners op de fiets zou stappen en ze zou rondleiden, te beginnen met het Patersbosje, en dan naar de Batavierenweg met het uitzicht op de Ooy. Vervolgens langs de tuin van Villa Salatiga, en dan via de Kopse Hof naar het Hengstdal en omgeving, vervolgens over Hoogte 80, de Leemkuil naar het Mariënbos om te eindigen in een café aan de Groesbeekseweg voor een welverdiende capucchino, want de dag is dan wel om!
Haar eigen favorieten strijden om de eerste plaats: zo zijn daar het Filosofendal en Berg en Dal en omgeving,en de Heerlijkheid Beek, maar ook het uitzicht vanaf de Sterrenschans op de Ooypolder is prachtig. En dan nog de Maartenskliniek en omgeving met z’n prachtige bossen en mooie dalen is ook heel bijzonder, met de Kopse Hof en de lindenlaan met de ‘vier Apostelen’, dat zijn de grote lindes op de rand bij het uitzichtpunt op Persingen in de Ooy.

Veranderingen
Op de vraag wat zij de afgelopen decennia heeft zien veranderen vertelt zij dat zij het échte stuwwalgebied heeft zien verdrogen. In haar middelbare schooltijd waren er nog beekjes en watertjes die niet het hele jaar door water bevatten, maar die zijn nu al jaren verdwenen. Met het project ‘Water Werkt’ heeft men onlangs geprobeerd in Beek/Ubbergen het water weer terug te brengen. In dat verband zet ze zich ook in voor behoud van het Kastanjedal en omgeving, waarover momenteel veel te doen is. Wanneer er in Beek aan de Rijksstraatweg terrein wordt afgegraven en doorsneden door fundamenten voor appartementen, dan komt het grondwater omhoog, vloeit weg en het waterpeil daalt. De bomen in het hoge gedeelte op de Ravensberg en de Boterberg krijgen dan geen water meer en zullen verdrogen en verdwijnen.
Zij heeft de Kopse Hof bebouwd zien worden, wat ze erg jammer vindt. Ze noemt ook de sluipende ‘verrommeling’, de toenemende, niet bij de sfeer passende bebouwing van groene plekjes in Oost. Verrommeling is een nieuw woord, maar beslist geen nieuw idee. Wat positiever is ze in dat verband over het LIMOS terrein, dat is juist weer aardig opgeknapt en een voorbeeld van hoe het ook kan.

Zorgen
Bea stelt vast: ”Veel mensen interesseert het niet, de natuur”, maar we moeten juist dingen bewaren in de natuur, ook in het kader van gezond leven en dergelijke. Zo ligt Nijmegen Oost in feite op een grote waterbel. Water dat zich uitstrekt tot aan het Kronenburgerpark, en dat bijzonder goed gezuiverd is door zand en grind. Water dat als drinkwater wordt gebruikt in Oost en dat dus tot onze natuurlijke hulpbronnen behoort. “Van de bronnetjes kun je zó drinken, hoor! Ik ben er nog nooit ziek van geworden”. Het water van het riviertje ‘De Oorsprong’ in Beek is zó zuiver dat daarin platwormen voorkomen, die alleen kunnen leven in heel schoon water.
Verontwaardigd: “Juist daar wilde men gaan bouwen! Dan verstoor je de natuur toch heel erg.”
Haar grote zorg is dat Nijmegen Oost helemaal volgebouwd gaat worden, zonder rekening te houden met het groen. Er zijn nog wel enkele groene enclaves rond de voormalige kloosters, zoals Westerhelling, maar het lijkt erop alsof elk mooi groen plekje bos wordt opgegeven aan woningbouw. Natuurlijk, Nijmegen Oost is een unieke wijk, omringd door groen, maar door het al te vol te bouwen haal je het karakter van de wijk weg en dan wordt het een ‘gewone wijk’. Kijk naar de Kwakkenberg, dat was altijd een en al bos. Maar dat wordt steeds verder teruggedrongen. Veel mensen willen in Oost wonen, maar het moet ook een keer genoeg zijn met dat bouwen en verrommelen. Bea Peeters ziet het als een teken des tijds dat mensen van alles steeds maar meer willen. Het typerende is dat dit proces in Oost sluipenderwijs gaat. Het is juist de charme van Oost dat er overal plekjes groen zijn. Wil het karakter van de wijk behouden blijven, dan moet er niet veel meer gebouwd worden.
”Als ik denk dat ik als kind bloemen plukte op de plek waar nu huizen staan, dan gun ik generaties van de toekomst dat ze nog steeds bloemen kunnen plukken, en niet alleen bloemen kennen van hun computer of de tv. En dat ze onder bomen kunnen zitten, gewoon in een bos. Dat ze de wind in de bomen kunnen horen ruisen, ja, daar wil ik aan werken via mijn beroep en via mijn vrijwilligerswerk voor het IVN”.
Het is voor Bea Peeters belangrijk dat mensen naar hun omgeving leren kijken door verschillende brillen. Neem nu de toekomst.”Ik wilde daaraan werken”, stelt zij beslist. “We weten immers allemaal waar we naar toe gaan. Maar de tussentijd, daar gaat het om. Wat doe je in de tussentijd”.

Voor ons zijn er nog wat tips:

Een IVN groencursus met vijf excursies door de landschappen van Nijmegen en omgeving o.a. op de Duivelsberg.
Te vinden bij: IVN Rijk van Nijmegen

Er zijn daar een 8-tal docenten en Bea Peeters is er één van.

Mevrouw Bea Peeters werd geïnterviewd op 26-2- 2010 door Ellen Hijmans


Gesprek met de heer Knipping

Voor Gérard Knipping is de Dominicanenstraat de helft van zijn leven. Van 1927 tot 1959 woonde hij er op nummer 13. Hij zat op de kleuterschool bij de zusters Dominicanessen en was misdienaar in hun kapel. In de Maria Geboortekerk was hij misdienaar en later soms vervangend koster. Ook zijn vader was zeer actief voor de kerk. Vanaf 17 september ’44 maakte Knipping de gruwelijke granatentijd mee waarover hij een dagboek schreef (zie elders op deze site). Na de oorlog was hij werkzaam als leraar Nederlands en Engels en later als adjunct-directeur aan de ULO. In de jaren negentig schreef hij een boekje over de geschiedenis van de Maria Geboortekerk en een lezing over het St-Vincentiusklooster, nu de Vrouwenschool.

Wonen in de Dominicanenstraat
‘Ik ben geboren in de Van Welderenstraat nummer 44 in april 1924. Mijn vader had een verzekeringskantoor. Als pensioen had hij een lapje grond gekocht op de Dominicanenstraat om daar huizen op te bouwen. De nummers 11 t/m 21, tegenover de oude lagere school. Mijn vader verhuurde de woningen voor 28 gulden in de maand. Zelf gingen we wonen op nummer 13, een wat groter huis met een uitbouw aan de achterkant. “Eerste steen gelegd door Marietje, Antoon, Gerard en Godfried 30-3-1926” is nog op ons oude huis te zien. De namen zijn van de oudste vier van de negen kinderen met wie we daar gewoond hebben. In 1964 stierf vader, een paar jaar nadat hij 65 was geworden. Hij had het ‘pensioen’ zelf niet nodig gehad.’‘De straat was vroeger wel anders dan nu. Zo had je veel meer winkeltjes in de buurt. Op de hoek Mariaplein/Dominicanenstraat zaten er een paar. En in de Dominicanenstraat zat een kruidenier, tegenover waar nu KION is. Er was ook een melkhandelaar en een bakkerij. De fietsenzaak Sloos zit er al lang. Halverwege de straat was een brede ingang naar een terrein waar toen een sigarenfabriek stond. Nu is daar een gymzaal. En er waren natuurlijk de Dominicanessen van het St. Vincentiusklooster met de scholen eromheen. De schoolgebouwen zijn allemaal gesloopt om plaats te maken voor nieuwbouwwoningen. Sic transit gloria Noviomagi.’Maria Geboorteparochie
‘We hebben allemaal grandioze herinneringen aan onze tijd in de Dominicanenstraat. Allemaal. We hadden een leuk gezin en we waren actief voor de pastorie van de Maria Geboortekerk. De pastorie had een pastoor met vijf kapelaans, moet je je voorstellen, zoveel, dat bestaat nu niet meer. Soms had een pater zijn fietslichtje kapot en dan kwam hij even naar Knipping of wij dat konden repareren. Ook mochten mijn broers en ik misdienaar worden. En als de koster met vakantie ging, mochten wij koster spelen.’

Kerkklokken
‘In 1942 hadden de Duitsers de klokken meegenomen, ze maakten er kanonnen van. Toen men later nieuwe klokken wilde, moest dat bij elkaar gespaard worden door de parochie. Er werd een comité van notabelen uit de wijk in elkaar gezet. Mijn vader was het uitvoerend comité. Hij trommelde ons, jongens en meisjes van de verkennerij en gidsen, op om op elke zondagochtend alle deuren in de buurt langs te gaan om geld in te zamelen. In naoorlogse tijd collecteren ook daar waar men nog nauwelijks te eten had: dat was heel wat. Het ging echt met dubbeltjes en kwartjes. Maar zo zijn, na maandenlang collecteren, nieuwe klokken terug gekomen.’

Mariabeeld
‘Vader heeft ook een werkcomité in elkaar gezet voor het veertigjarig priesterfeest in 1948 van pastoor Dickmann. De pastoor wilde heel graag een groot Mariabeeld op het plein voor de kerk. Het comité is toen meer dan een jaar wekelijks huis aan huis gegaan om het geld bij elkaar te sprokkelen. In 1949 kon het huidige Mariabeeld van beeldhouwer Albert Meertens worden ingewijd. Bij de inwijding stond het halve Mariaplein vol met duizenden geïnteresseerden.’

Maria Omdracht en onderscheiding vader Knipping
‘In 1933 / ‘34 heeft Titus Brandsma de Maria Omdracht (processie met Mariabeeldje Molenstraatskerk) in ere hersteld. Mijn vader zat ook in het comité om de Maria Omdracht te herstellen. Later heeft mijn vader de onderscheiding ‘Pro Ecclesia et Pontifice’ gekregen van paus Johannes XXIIIe voor al zijn inzet voor de kerk.’

De Maria Geboortekerk in ’40-‘45
Waar de kerk in vroeger dagen van veel groter belang was in de samenleving, was zij dat in ’40 – ’45 zeer zeker. Bij vele vieringen zat de Maria Geboortekerk stampvol. De saamhorigheid in de parochie was toen groots. Na het bombardement op de stad waren er dagelijks uitvaarten in de kerk, uitvaarten die hier plaatsvonden omdat alle vier de stadskerken gebombardeerd waren. In de granatentijd na september ’44 waarin Nijmegen Oost zwaar getroffen werd door bommen, granaten en brandstichtingen van de ‘moffen’, bleef ook de Maria Geboortekerk niet gespaard. De kerk werd meerdere malen getroffen door granaatinslagen. Knipping: ‘In een zuil rechtsachter is dit nog te zien. Ook de torenspits ging eraan, het kruis van de toren hing aan een haak ondersteboven aan de rest van de toren. Omdat de kerk onbruikbaar en te gevaarlijk was, werden twee noodkapellen ingericht. Een in de schoenfabriek Van Wellen aan de Groesbeeksedwarsweg en een in de kelder van het Dominicanessenklooster.’ Vanaf eind ’44 werkte Gerard Knipping, op verzoek van de kerk, zo’n drie maanden als vrijwillig koster in de noodkapel aan de Dominicanenstraat. Elke dag stond hij om 6.30 op om de kapel gereed te maken voor de dagelijkse mis. Komende vanaf zijn ‘evacuatie-adres’ aan de Rembrandstraat moest hij soms dan duiken voor granaten en stukken kruipend afleggen.

Gedenkboek ‘Maria Geboortekerk Nijmegen 100 jaar’
Ter ere van het 100-jarig bestaan van de Maria Geboortekerk in 1994, vroeg de parochieraad aan de heer Knipping om een boekje te schrijven over de geschiedenis van de kerk omdat hij en zijn familie er zelf zoveel van hadden meegemaakt. Dit werd het gedenkboek Maria Geboortekerk Nijmegen 100 jaar. Voor dit boekje spitte hij het archief en de kronieken van de kerk uit vanaf 1894 tot 1994.

Klooster St. Vincentius Ferrerius en de scholen
De heer Knipping dook ook in de archieven van het klooster, op verzoek van de huidige bewoonsters van het gebouw. In 1994 hield de heer Knipping er in de Vrouwenschool een lezing over.

Zusters Dominicanessen
Het kloosterleven van de zusters Dominicanessen begon eind 19e eeuw in een paar schoollokalen. Al spoedig was er uitbreiding nodig. Begin 1900 waren er al honderden kinderen. Maar nog steeds was er geen klooster voor de zusters, die tot dan toe op de zolders van de scholen sliepen. In 1904 wordt dan eindelijk de eerste steen gelegd voor een klooster. Knipping schrijft in zijn lezing: ‘Op de zolder zijn zeer sobere houten kamertjes gebouwd, die ‘cel’ heetten. In het begin uiteraard zonder verwarming en zonder stromend water. Pas in veel later jaren is dat gekomen.’ En over de zusters: ‘Het grootste aantal dat hier gevestigd was, moet rond de 45 geweest zijn. Zij waren tot de jaren ’70 gekleed in een crèmekleurig habijt met een witte bef en een zwarte sluier.’Misdienaar
In de jaren dertig was Knipping misdienaar in het klooster. Knipping schrijft: “Samen met de rector mochten alleen de misdienaars als enige man er komen. Op de grote zwaaideuren die toegang gaven tot het woongedeelte van de zusters stond dan ook met duidelijke en mooie letters SLOT. ’s Morgens om kwart voor zeven stond de voordeur op een kier voor pater en misdienaars. Zeer zacht hoorde je die te sluiten. Dat deed je dan ook. Een heel werk trouwens voor een jochie van 9 à 10 jaar [..] Dan sloop je op je tenen naar het kastje in de muur waar gymschoenen stonden. Die moest je aantrekken om zo zacht mogelijk te lopen en om altijd op schone schoenen in het ‘heilige der heiligen’ binnen te gaan.”

Scholen
Inmiddels waren er in die tijd rondom het klooster een lagere school (nummer 4), een ULO (8) en een kleuterschool. De kleuterschool (‘Fröbelschool’) bereikte je via een gang naast de ULO. De heer Knipping heeft zelf op de kleuterschool gezeten. In het onderschrift bij de foto van zijn klas in 1930 staat: “Op deze foto: een groot verzetsman in de jaren ’40-’45, maar ook een groot verrader uit die jaren. De eerste werd gefusilleerd bij Sionshof. De tweede kreeg in 1945 levenslang.” Na de lagere school bij de broeders in de Hertogstraat maakte de heer Knipping de ULO af in de Gerard Noodtstraat. Vervolgens ging hij naar de kweekschool. In de bezettingstijd vond vader het te gevaarlijk worden als Gérard in Nijmegen zou blijven. Knipping: ‘Samen met vier of vijf jongens van de verkennerij knipten we wel eens Duitse kabels door in Dukenburg of gooiden we suiker in de benzine van Duitse voertuigen. Vader was bang dat ik opgepakt zou worden en ook een gevaar zou vormen voor de veiligheid van het gezin. Hij stuurde me daarom naar de kweekschool bij de broeders in Maastricht, waar mijn broer Fried al zat.”

Het klooster in ’40-‘45
Ook voor de zusters van het klooster was de oorlogstijd hard. Knipping: ‘In februari ‘44 moesten de zusters van de ‘moffen’ het klooster binnen enkele dagen verlaten omdat het door hen in beslag werd genomen. De buurt hielp hen toen om zaken als meubilair en habijten onder te brengen bij de overburen. Tragisch is dat alles daar in oktober ’44 bij een aanval van granaatvuur in brand geschoten werd en dus alles in vlammen opging. Tot de bevrijding heeft het klooster vervolgens leeg gestaan. Toen is de lagere school een paar weken gebruikt voor Duitse krijgsgevangenen. Na oktober ’44 kwamen er de Canadezen in. In de zomer van ’45 werd een comité in het leven geroepen van buren en vrienden van het klooster om het op te ruimen, schoon te maken met na-oorlogse zeep en van geschonken meubilair te voorzien. De ontvangstdag van de zusters werd een groot feest.’Oorlogsdagboeken
De heer Knipping hield in de bezettingstijd twee indrukwekkende dagboeken bij. Een over de Mgr. Hamerstam van de verkennerij die ‘ondergronds’ ging. De Duitsers beschouwden de verkennerij als staatsgevaarlijk en hadden haar verboden. In een ander dagboek beschrijft hij gedetailleerd per dag zijn ervaringen vanaf de bevrijding op 17 september ’44 en de gruwelijke granatentijd erna tot 5 mei 1945. Zie hiervoor elders op deze website.

Na de oorlog Na de oorlog maakte Knipping zijn kweekschool af en werkte als onderwijzer aan lagere scholen in Elden en Nijmegen. In 1963 ging hij als leraar werken aan de ULO, later Mavo, in de Dominicanenstraat. Hij oefende met veel plezier zijn vak uit als leraar Engels en Nederlands. In de latere jaren was hij adjunct-directeur tot 1984. Een tijd daarvoor waren de zusters al vertrokken uit het klooster en de scholen. Uit de kronieken van de kerk: ‘Sinds eind vorige eeuw hebben de zusters onnoemelijk veel betekend voor onze parochie door haar drie vormen van onderwijs: kleuterscholen, lagere school en ULO-school en door allerlei pastoraal werk.’ De kleuterschool en de lagere school werden afgebroken. In 1989 werd de ULO afgebroken om plaats te maken voor het huidige appartementencomplex aan een straat die de Roothaanstraat zou gaan heten…’

De Roothaanstraat
‘De grond van de Maria Geboortekerk, het klooster en de voormalige scholen in de Dominicanenstraat was vroeger van de familie Roothaan, een goed gesitueerde familie. Toen er een straat werd aangelegd tussen de Daalseweg en de Berg en Dalseweg was het idee om dit de Roothaanstraat te noemen. Uiteindelijk hebben ze de straat Dominicanenstraat genoemd, naar de Dominicanen en Dominicanessen. Bij de sloop van de ULO in de jaren negentig wilde de Gemeente Nijmegen de nieuw ontstane straat vernoemen naar Massink. Deze oud-wethouder had echter al de Massinkhal. Ik heb toen naar de straatnamencommissie geschreven dat ik vond dat het Roothaanstraat moest heten. De gemeente heeft dat toen overgenomen. De straat heet nu, terecht, de Roothaanstraat.’ Ook hier schreef de heer Knipping weer geschiedenis. Het toeval wil dat dit de straat is waar ik woon.

Ten slotte
De heer Knipping is op 9 maart 2010 overleden.

Gérard Knipping werd in november/december 2010 geïnterviewd door Caroline Majoie.


Interview met de heer van Eupen

Afscheid van de wijkgeschiedenis-groep

Aanleiding voor ons gesprek is het afscheid van Jan als voorzitter van de wijkgeschiedenis-groep, een functie die hij van april 2007 tot januari 2011 op aimabele en enthousiaste wijze vervulde. Jan is inmiddels 80 jaar, een mooi moment om afscheid te nemen van de wijkgeschiedenis-groep, maar niet van de wijk of van de geschiedenis in het algemeen. Als geboren Nijmegenaar is Jan altijd erg betrokken gebleven bij Nijmegen, ook al heeft hij 43 jaar op verschillende plaatsen in het land gewoond en gewerkt, onder meer in Amsterdam, Utrecht, Driebergen en Houten. In 1993 keerde hij terug naar Nijmegen, in een appartement aan de Bijleveldsingel, toevallig ook de straat waar hij in 1930 het levenslicht zag. Sinds twee jaar woont Jan op de bovenste verdieping van Veste Brakkenstein aan de Driehuizerweg. Daar kijken we samen terug op zijn werkzame leven, waarin hij diverse politiek-bestuurlijke- en onderwijs-functies bekleedde.

Een interessant leven
“Ik vind zelf dat ik een heel interessant leven heb gehad”, zegt Jan, “het is me allemaal aan komen waaien, ik heb er zelf niet veel voor gedaan, ik ben bijna overal voor gevraagd.” Zo bracht hij de woelige 60-er jaren door als jonge kapelaan in de Amsterdamse Thomaskerk. Daar kreeg hij alle ruimte om nieuwe progressieve ideeën in praktijk te brengen, zoals de oecumene en wijk- en samenlevingsopbouw. Hij werd gevraagd als docent geestelijke stromingen en cultuurgeschiedenis, en raakte ook betrokken bij de vernieuwingsbeweging in de politiek. Zo was hij voorzitter van de Amsterdamse afdeling van de toen net opgerichte PPR en sympathiseerde hij met bevrijdingsbewegingen als het Palestina Comité en de bevrijdingstheologie in Nicaragua. Vanuit deze achtergrond vervreemdde hij steeds meer van de kerk, waarin na het overlijden van bisschop Bekkers en paus Johannes een reactionaire golf opkwam tegen de progressieve ontwikkelingen waarin Jan participeerde. Hij besloot dat hij de kerk niet langer kon vertegenwoordigen, maar zijn persoonlijke ontwikkeling in het maatschappelijk opbouwwerk, vormingswerk en natuur- en milieu-educatie zette door en vertaalde zich in diverse functies. Cultuurgeschiedenis, filosofie en politiek hadden steeds zijn warme belangstelling en naast zijn werk deed Jan ook veel bestuurswerk. Daar ging hij mee door toen hij met 58 jaar in de VUT terechtkwam. De eerste jaren ging hij weer studeren in Utrecht. Filosofie, en vervolgens de Universiteit voor Humanistiek, waar humanistische raadslieden worden opgeleid. Deze laatste opleiding vond Jan vanuit zijn priesteropleiding erg boeiend, wat resulteerde in een functie voor het Humanistisch Verbond als vrijwillige uitvaartbegeleider. Vorig jaar beëindigde Jan deze functie die hij 15 jaar heeft vervuld, op het laatst bij Klopper en Kramer, het uitvaartcentrum dat huist in Oud Mariënboom aan de Groesbeekseweg. De eerste jaren
Het geboortehuis van Jan staat aan de Bijleveldsingel, hoek Berg en Dalseweg. In 1930 werd hij er geboren als één van de tien kinderen die het traditioneel katholieke tandartsengezin rijk was. Hij zou er tot zijn 21ste jaar blijven wonen, het jaar dat hij begon met zijn noviciaat in Huissen bij de paters Dominicanen. De eerste tien jaar van zijn jeugd verliepen onopvallend, maar dat in 1940 de oorlog uitbrak herinnert hij zich nog heel goed. Hij was te jong om het te begrijpen, maar van het einde van de oorlog, de bevrijding en de strijd om de Waalbrug herinnert hij zich veel meer. Als 14-jarige maakte hij het bombardement bewust mee. Hij zag niet alleen hoe gewonden vervoerd werden op handkarren en bedspiralen naar het Wilhelminaziekenhuis; verschillende familieleden bleken ook te zijn omgekomen. Hij vertelt levendig hoe het gezin, moeder met de kinderwagen en de kinderen eromheen, te voet eerst naar een boerenschuur in Malden evacueerde; en later naar een grote villa in Hees, waar zij met z’n allen een grote kamer mochten bewonen. Na een half jaar keerde het gezin terug naar de Bijleveldsingel, het huis stond er nog, maar “het was heel vreemd, Nijmegen was echt veranderd. Het klinkt als een cliché, maar het hart was eruit. Dat was heel duidelijk. Er was heel veel schade in de stad.” Zo was direct naast hun huis aan de Berg en Dalseweg een huis uitgebrand en wat verderop een heel rijtje. Tegenover hen lag het hotel Pays Bas, dat door de Duitsers was gevorderd, en dit hotel zag hij voor zijn ogen afbranden, wat nog spannend was omdat omringende daken nat moesten worden gehouden vanwege het gevaar van overspringende vonken.
Er was toen geen echt centrum in Oost, het samenbindende element voor en na de oorlog waren de parochies: Maria Geboorte, St Stephanus en Christus Koning. Het sociale leven was geheel georganiseerd rondom de kerk en binnen de zuilen. Scholen, kerkkoren, jeugdwerk sportverenigingen, alles was verzuild. Ook de bekende winkeltjes in Oost. Jan heeft dat zelf niet zo meegemaakt omdat de boodschappen vanuit het centrum aan huis werden bezorgd, maar het snoepwinkeltje uit de Ten Hoetstraat, waar je dropveters kon kopen voor een cent, herinnert hij zich nog goed. Aan verschillende panden en gevels kun je nu nog zien dat het vroeger winkels waren, zoals de mooie gevel van De Gruyter aan het Mariaplein, en verschillende panden aan de Groesbeeksedwarsweg. Maar dat het pand van Van Dams Spareribs vroeger een banketbakker huisvestte is nergens meer te zien.Nijmegen Oost
“Oost is nooit zo’n echte wijk geweest, zo van ‘wij van Oost’, ook niet in de subwijken zoals Altrade en de Hunnerberg. Misschien een klein beetje in Hengstdal, maar weer wel in Het Rooie Dorp en de Spoorbuurt, tegenover de Limos aan de Van ’t Santstraat. Dat was wel een echte eenheid. In de laatste buurt woonden allemaal mensen die bij het spoor werkten, en dat gaf samenhang. Op de site is in het informatieve stuk van Henk Rullmann over het ontstaan van Nijmegen Oost te lezen dat Oost nauwelijks planmatig is ontstaan. Met uitzondering van de singels en het Keizer Karelplein, waren er voornamelijk initiatieven van burgers, vroege projectontwikkelaars en woningbouwcorporaties. Het Canisiuscollege was een van de eerste gebouwen, net als de kazernes en de begraafplaats Rustoord. In dezelfde buurt stond al wel sinds 1673 de uitspanning Groenewoud langs de Groesbeekseweg, maar tot aan de stadsuitleg, nadat de wallen gesloopt werden, was er nauwelijks sprake van bebouwing, op een enkele molen na, omdat het gebied open schootsveld moest blijven. De bebouwing bestond voornamelijk uit grote villa’s aan de Groesbeekseweg en de Berg en Dalseweg, en in de tussenstraten zoals de Groesbeeksedwarsweg bouwden de woningbouwcorporaties. Verder was er wat industrie in Oost, zoals de twee schoenfabrieken, de melkerij Lent aan de Wedren (toen een grote zandvlakte waar je heerlijk kon spelen), de Davino ijsfabriek en de etikettenfabriek aan de Sterreschansweg.”

“Geschiedenis is mijn hobby”
Geschiedenis en filosofie zijn hobby’s van Jan; vooral cultuurgeschiedenis heeft hem altijd erg geboeid. In zijn tijd als docent hield hij zijn studenten regelmatig voor dat ‘geschiedenis is, wat aan het geschieden is’. Met die slogan probeerde Jan de politiek erbij te betrekken, maar tegelijkertijd wil Jan duidelijk maken dat wat er nu gebeurt altijd te verbinden is met wat zich vroeger heeft afgespeeld. “Geschiedenis is pas echt leuk als je het kunt verbinden met het nu. En daar is zo’n site ook weer een goed middel voor. Mensen wonen ergens en ze kunnen zich dan als het ware terugbuigen naar datgene wat zich eerder heeft afgespeeld in die omgeving. Dat maakt geschiedenis juist levend en heel wat beter verteerbaar dan jaartallen en feitjes, zoals je die vroeger op school kreeg.” De belangstelling voor geschiedenis begon voor Jan aanvankelijk met kunstgeschiedenis, maar verplaatste zich naar de bredere stroming van de cultuurgeschiedenis, die ook architectuur, muziek, wetenschap en filosofie omvat. Ondanks die zeer ruime belangstelling heeft de geschiedenis van Nijmegen toch altijd een plekje in zijn hart behouden. “Ja! Het is de oudste stad van Nederland, tenslotte. Dat alleen al maakt Nijmegen bijzonder. Het heeft een heel boeiende geschiedenis. Neem maar de Middeleeuwen met Mariken van Nimwegen en de Gebroeders van Limburg. Daarvoor had de Karolingische tijd ook al sporen nagelaten. En Albertus de Grote heeft vanuit Keulen de St. Stevenskerk ingewijd. Allemaal boeiende feiten.”

Nijmegen op de grens van Noord en Zuid
Jan wordt pas echt enthousiast als hij begint te vertellen over de periode die hem het meest intrigeert: de periode tussen het slopen van de wallen en het begin van de Tweede Wereldoorlog. Tijdens de uitbreiding van de stad werd er in Oost ook weer gebouwd en de geschiedenis van Nijmegen nam toen een interessante wending. Nijmegen was niet duidelijk een noordelijke stad, als een soort enclave in het protestante Nederland, maar het was ook geen Brabantse of Limburgse stad. Nijmegen lag precies in het grensgebied tussen Noord en Zuid en had daardoor het karakter van een vrijstad. Voor Nijmegenaren was Arnhem ten onrechte de hoofdstad van Gelderland geworden, het “Gelderse Haagje”, zo werd het genoemd vanwege de vele ambtenaren. Nijmegen heeft zich daar altijd tegen verzet, en voelde zich achtergesteld. Ook op sportgebied is er tot de dag van vandaag rivaliteit: de volksclub NEC tegenover het elitaire Arnhemse Vitesse.

Nijmegen een katholieke stad?
Nijmegen was aanvankelijk ook geen katholieke stad. De regenten en de dominante groepen bestonden uit liberalen, vrijmetselaars bijvoorbeeld. Die selecteerden elkaar op andere motieven dan het geloof en sloten de katholieken uit. De oprichting van de Katholieke Universiteit in 1923 was een hoogtepunt in het emancipatieproces van de katholieken met belangrijke gevolgen voor de stad. Diverse kloosterordes vestigden er hun studiehuizen om hun studenten aan de universiteit te laten studeren en pas toen is ‘Monnikendam aan de Waal’ ontstaan. Het straatbeeld veranderde compleet: “Je struikelde in de stad over de paters en nonnen. Er waren grote processies zoals de jaarlijkse ‘Maria-omdracht’. De Gelderlander speelde een belangrijke rol als emancipatiekrant, wat ook de vorm aannam van het afweren van het socialisme. Pas in de tijd van ‘de doorbraak’ was het katholieken toegestaan om lid te worden van de PvdA.” Jan haalt het boek erbij van Guus Pikkemaat De geschiedenis van Nijmegen (1988), waar de ontwikkelingen die uiteindelijk leidden tot Nijmegen als een katholieke stad op een aansprekende manier worden beschreven. Na de emancipatiestrijd van de katholieken en de oprichting van de KUN brak er een tijd aan van “Rooms triomfalisme”, waarin de katholieken het in de stad voor het zeggen kregen. Het sociale leven was volkomen verzuild, zoals al bleek uit Jans jeugdherinneringen. “Het heeft weinig met Nijmegen Oost te maken, maar het zou interessant zijn om dat eens goed uit te zoeken: hoe zag dat triomfalisme er in Nijmegen uit? “

Terug naar de roots
In 1993 keerde Jan terug naar zijn geboortestad. Zijn werkzame leven zat er op, maar hij voelde zich nog veel te jong om achter de geraniums op zijn lauweren te gaan rusten. In 1994 werd in Nijmegen de Seniorenraad geënstalleerd en Jan was er acht jaar lid van. Daarna nog twee jaar betrokken bij de Nijmeegse politiek als lid van het Platform Gehandicaptenbeleid. Toen in de regio het Regionaal Indicatie Orgaan werd opgericht vroeg men Jan als voorzitter van de Klachten- en Bezwarencommissie. Hij nam het graag op voor de belangen van mensen die van zorg en hulp afhankelijk waren. Dat deed hij ook als voorzitter van de Centrale Cliëntenraad van Habicura, later de Zorggroep Zuid-Gelderland. Waar hij het meest trots op is is zijn rol als een van de founding fathers van Hospice Bethlehem, het in 2003 geopende huis voor terminale patiënten in het voormalige klooster van de Zusters van Bethlehem aan de Sint Antoniusplaats. In veel verschillende functies heeft Jan zich ook in Nijmegen ingezet. Velen kennen zijn naam als redacteur van de Seniorenpagina in De Brug, als spreker bij uitvaarten, als cursist bij HOVO, of als chroniqueur van Dertig jaar Wijkwinkel Nijmegen-Oost.

De wijkgeschiedenis-website
Terugkijkend op de afgelopen periode refereert Jan aan de huidige snelle technologische ontwikkelingen op communicatiegebied, zoals Facebook en dergelijke.“Die maak ik niet meer van harte mee. Daar voel ik dat ik oud ben geworden. Ik laat dat bewust aan mij voorbijgaan. Ik ben nu 80 jaar, en ook door de verhuizing twee jaar geleden is het gekomen dat ik mij terug wil trekken hier, in mijn ‘Hermitage’. Niet in de negatieve zin, want ik voel mij wel betrokken bij het leven. Ik wil genieten van vriendschappen en familie. Ik hou van mijn vrijheid en van vrijdenker zijn. Ik hoef het niet te bewijzen, ik wil juist de tijd nemen om dingen voor mezelf uit te zoeken om mijn mening te vormen.”

Zijn periode bij de wijkgeschiedenisgroep sluit hij positief af.“Het leuke van de wijkgeschiedenisgroep is bijvoorbeeld de door Myra Mager ontwikkelde site over architectuur in Oost. Dat is een uitstekend voorbeeld van hoe mensen worden uitgenodigd om met andere ogen naar hun eigen straat en huis te kijken. Door gezamenlijk de website te vullen met korte samenvattingen van de verschillende aspecten van de geschiedenis van Oost, willen we bij de wijkbewoners belangstelling wekken om met hun eigen geschiedenis bezig te zijn. Het zou alleen wat interactiever kunnen, mensen zouden met hun eigen aanvullingen en toevoegingen moeten komen. Dat hoeft niet allemaal georganiseerd in een groep te gebeuren, dat zou ik eigenlijk het leukste vinden, dat dat spontaan gebeurt en alleen gecoached en begeleid hoeft te worden. Dat laatste is ons nog niet gelukt, om de mensen daarvoor enthousiast te krijgen, maar als je nagaat dat de website nog maar een paar jaar bestaat, dan hebben we het begin in elk geval gemaakt.”Enthousiast: “Het grote voordeel van Nijmegen Oost is dat het een heel oude geschiedenis heeft. De geschiedenis van Nijmegen is hier begonnen. Je woont er op historische grond, iedereen die belangstelling heeft voor geschiedenis heeft ook belangstelling voor Nijmegen Oost. Hoewel het er, zoals gezegd, ook een hele periode vrij stil is geweest. Tot aan de stadsuitleg waren er in de Franse tijd nog wel wat incidenten, er werden forten gebouwd in Oost, zoals De Afgebrande Molen (waar de naam Fortstraat nog aan herinnert), het Fort Kijk-in-de-Pot, en Fort Sterreschans. Dat zou allemaal nog uitgezocht kunnen worden.” Waarvan acte.

7 februari 1930 – 2 mei 2013

Jan werd geïnterviewd door Ellen Hijmans op 22-12-2010


Interview met mevrouw Ros-Gerrits

Mevrouw Annie Ros-Gerrits is in 1917 geboren in de Houtstraat, waar haar ouders een groentezaak dreven. Afkomstig uit een Nijmeegs geslacht van middenstanders, waaronder nogal wat groentemannen en –vrouwen, zou ook zij met haar man in 1954 een groentezaak beginnen op de hoek van de Cipresstraat/Hengstdalseweg. Zij woont op 93-jarige leeftijd nog steeds boven de voormalige groentewinkel, waarin nu een computerzaak is gevestigd. Tot 1972 runde zij samen met haar in 1981 overleden echtgenoot hier de groentewinkel. Toen hadden zij er genoeg van. “Het was op. We vonden het wel goed. En onze zoon had er helemaal geen zin in. Die is buschauffeur geworden.” Naderhand is zij blij dat hij de zaak niet heeft overgenomen, “want tegen de grootwinkelbedrijven kun je toch niet opboksen.”

 

De Koolemans Beijnenstraat
In het ruime bovenhuis vertelt mevrouw Ros over haar jeugd in de Koolemans Beijnenstraat, waar zij als 9-jarig meisje kwam te wonen. Haar vader had in 1925 een winkel met pakhuis en bovenhuis laten bouwen, op het huidige nummer 64. Na haar lagere schooltijd in de dertiger jaren hielpen Annie en haar enige broer Piet in de winkel. Dat betekende om 6 of 7 uur naast het bed en dan aan de slag. Als haar vader terugkwam van de veiling in Bemmel of Nijmegen werd eerst de vrachtwagen gevuld met verse groenten en fruit. Dan ging vader zijn klantenwijk bedienen terwijl moeder en Annie in de winkel de klanten hielpen. In de loop van de ochtend ging Annie met de fiets naar haar vader, die in die tijd als één van de eersten geen paard en wagen maar een vrachtauto had. De klantenwijk bevond zich in de Indische buurt, de Groesbeekseweg, Groenewoudseweg en de Postweg. Annie wist altijd precies waar vader was en ze kreeg dan van hem een briefje met bestellingen van zaken die hij niet bij zich had op de wagen, zoals zuurkool. En Annie zorgde dan dat de bestellingen weer bij de klanten kwamen. In die tijd waren er meer winkeltjes in de straat. Zo was er direct naast hen een brandstoffenhandel, daarnaast een melkhandel en op de hoek was een kruidenierszaak, op de andere hoek, hogerop, was een bakker. De buurt was veel minder druk bebouwd dan nu. Aan de achterkant waren weilanden, waar de kinderen heerlijk konden spelen en het uitzicht was helemaal vrij. Je keek zo op het kerkhof aan de Daalseweg.
Op de vraag of er wel eens vreemde klanten kwamen in de winkel, moet mevrouw Ros even nadenken. Dan schieten haar twee voorvallen te binnen. Zo was er een mevrouw die vaak op zondag iets kleins nodig had, dan belde ze aan en moeder ging dan naar de kelder waar de groenten werden bewaard om het te halen. Op een keer zag een heer die ook de winkel was binnengekomen dat de dame intussen een blik conserven in haar tas stopte en dat niet afrekende. Toen zij op maandag daarvan de rekening gepresenteerd kreeg was het afgelopen met het zondagse bezoek. “Ja, moeder was wel bijdehand. Ze had ogen van voren en achteren.” Ze zag wanneer iemand een bloemkool in de fietstas stopte en dat ‘vergat’ te melden bij het afrekenen. “Ze waren vroeger net zo gemeen als nu, hoor! Nee, vroeger was het niet beter. Wel was het gezelliger dan vandaag de dag. Ze lopen mekaar nu allemaal gewoon voorbij. Nee, vroeger was het wel altijd gezellig. Niet dat we bij elkaar over de vloer kwamen, maar omdat je een winkel had kende je de mensen.”
Soms ging Annie uit met een vriendin, dansen in de Vereeniging of met Koninginnedag, en het Vierdaagsebal natuurlijk. Of ze ging mee met haar ouders, die elke zondagavond uitgingen naar Café Germania, aan het Keizer Karelplein, waar nu de Rabobank is gevestigd. Eén van de broers van haar vader was er dan ook, “dat was altijd heel gezellig” zegt ze vergenoegd.De oorlogstijd
De oorlogsjaren waren een stuk minder gezellig. De winkel kwam gelukkig onbeschadigd door de oorlog. Niet ver van de winkel, in de Archipelstraat, hadden de Duitsers een kanon opgesteld waarmee granaten werden afgevuurd. “Die vlogen overal heen”, een nichtje is zo omgekomen door een granaatinslag op de Daalseweg. Ook het vergissingsbombardement zal mevrouw Ros niet licht vergeten. Er was veel schade in de stad, vooral waar nu Plein 1944 is. Hele straten zijn toen verdwenen, bijvoorbeeld de Zeigelbaan, waar haar tante en grootouders ook een groentenzaak hadden. Omdat de familie Gerrits een grote kelder had voor de groenten boden ze onderdak aan de overburen om te schuilen en ook wel om de nacht door te brengen als het luchtalarm was. Zelf is het gezin Gerrits maar een paar dagen geëvacueerd geweest bij familie met een bakkerij in Hatert. Broer Piet was in Duitsland bij een motorbrigade, en ook hij keerde behouden terug. Na de oorlog was het feest in de straat, er werd buiten gedanst en iedereen was blij dat de oorlog voorbij was.

Een nieuwe winkel

In 1954 besloot vader Gerrits dat het tijd was voor een nieuwe winkel. Zijn zoon zou de winkel aan de Koolemans Beijnenstraat 64 voort blijven zetten en op de hoek Cipresstraat/Hengstdalseweg zou een tweede winkel komen voor de inmiddels getrouwde Annie en haar ouders. Omdat Annie al zoveel jaren in de groentenzaak had gestaan kreeg zij ontheffing van het middenstandsdiploma, en de winkel stond dan ook op haar naam. Inderdaad verrees daar een winkelpand met een ruim boven- en benedenhuis, en een tuin. Helaas heeft vader Gerrits dit niet meer mogen zien, want hij overleed volkomen onverwacht nog voordat het huis was afgebouwd. Annie trok met man en zoon en haar moeder in het huis en zij runde de winkel samen met haar man tot 1972. Het was in die tijd niet vreemd dat ouders en kinderen in één huis woonden. Annie heeft eigenlijk altijd met haar ouders en later met haar moeder gewoond, totdat haar moeder in 1986 op 96-jarige leeftijd kwam te overlijden. Alleen de eerste jaren van haar huwelijk woonde zij apart. In 1972 gaven zij en haar man de winkel op. Veel winkels hadden het moeilijk eind jaren zestig. Met de komst van Albert Heijn en andere grootwinkelbedrijven in de wijk werd de concurrentie te groot. Toen naast de groentenhandel van de familie een kruidenierswinkel van de coöperatie verscheen die ook nog eens groenten ging verkopen, was het plezier er na meer dan veertig jaar werken wel af. ”Ik had er geen zin meer in, het was op.” Meneer Ros ging terug naar de slagerij waar hij ooit in zijn jonge jaren was begonnen en mevrouw Ros wijdde zich aan het huishouden. De winkelruimte werd verhuurd als kantoor, later als Modehuis Cipres, en op dit moment is het een computerwinkel.Tante Annie
Terugkijkend op haar leven kan mevrouw Ros niet echt een periode noemen die zij het fijnste vond. “Ik vind het leven altijd wel fijn.” Ze herinnert zich met plezier de uitstapjes die ze voor de oorlog maakten in de T-Ford van haar vader en later, in de vijftiger jaren met de hele familie. Bijvoorbeeld naar Apeldoorn, of naar de Hoge Veluwe of naar het pannenkoekenhuis in Berg en Dal. Veel verkeer was er toen nog niet. “Je kon de auto’s onderweg tellen.” Vakantie, daar deden ze toen niet aan. Alleen in 1954 is zij een keer in Zell am See geweest. Reizen doen haar twee kleinkinderen wel, zelf heeft ze er absoluut geen behoefte aan. Ze is erg betrokken bij de jongeren in haar omgeving. Ze was de vaste oppas en een tweede oma van de twee zonen van haar nicht, en ze ging altijd mee naar het voetbalveld. Ook op de school waar haar nicht werkt kwam ze geregeld. De kinderen vragen nog altijd hoe het is met “Tante Annie”.
Tante Annie is zij ook voor studenten die zij al jaren op kamers heeft in haar ruime huis. Op haar verjaardag zit de kamer vol met jong volk, ze zijn allemaal dol op haar.
Op de vraag hoe het toch komt dat zij zo oud is geworden helpt nicht Lilian met het antwoord: “Tante Annie is heel ontspannen. Ze is heel rustig en ze maakt zich totaal niet druk. Ze geniet van alle kleine dingen van het leven. Ze leeft bovendien heel gezond: ze rookt en drinkt niet, ze eet veel verse groenten en fruit. Zelfs het kookwater van de groenten en aardappelen wordt bewaard en later opgedronken.”
Ook al is haar gezichtvermogen nu erg slecht geworden, ze kookt nog wel zelf en reddert het huishouden voornamelijk op de tast. Ook de steile trap naar het bovenhuis klimt ze nog, langzaam en voorzichtig, omhoog en omlaag. Als er in de familie dan wel eens gesproken wordt over verhuizen of een verzorgingstehuis, dan is het antwoord altijd: “Ik ga hier vast niet weg! Nee, die oudjes! Ik blijf lekker hier, niemand kan mij hier weg krijgen.”
Op het einde van het gesprek zegt ze bij wijze van conclusie: “Ik ben meer een Gerrits dan een Ros. Zo ben ik geboren, en daar ben ik trots op!”Mevrouw Ros-Gerrits is op 17-5-2011 geinterviewd door Ellen Hijmans.


Interview met Ton en Iet Jacobs

Ton Jacobs is 76 jaar en geboren en getogen in Nijmegen Oost. Samen met echtgenote Iet dreef Ton tot 1994 slijterij Jacobs aan de van Heutszstraat 29, waar nu fotograaf Ron Moes huist.
Wij spreken elkaar op een vrijdagmiddag in hun appartement op het Limosterrein, nadat ik het panoramisch uitzicht op Nijmegen Oost en de dreigende wolkenlucht erboven heb bewonderd. Op tafel ligt een verzameling foto’s, waarmee de verhalen rijkelijk worden geïllustreerd. Als middenstanders en voortzetters van het familiebedrijf Jacobs kennen Ton en Iet de wijk en haar bewoners door en door. Zij hebben de tijden in Oost zien veranderen en ze hebben aan den lijve ervaren wat dat betekent voor een winkelier.

Café Jacobs, Berg en Dalseweg
De wieg van Ton stond op de bovenverdieping van café Jacobs aan de Berg en Dalseweg 200, een karakteristiek pand met een mooie veranda, tegenwoordig bekend als muziekcafé The Shuffle. Zijn vroegste jeugdherinneringen zijn herinneringen aan de oorlog, hij was nog maar 4 jaar toen de oorlog begon en 9 jaar toen hij eindigde. Het gezin Jacobs woonde met 6 kinderen boven aan de Berg en Dalseweg, recht tegenover Mater Dei. Ton ging zoals vele Nijmegenaren uit Oost naar de Josephschool aan de Bijleveldsingel, en liep per dag twee keer op en neer tussen huis en school. Hij vertelt over het familiebedrijf, dat grootvader was begonnen. Het was geen bruin café, meer een pleisterplaats voor reizigers, zoals accountmanagers vroeger genoemd werden. Zij kwamen ‘s middags lunchen en aten dan een uitsmijter of iets dergelijks. Tussen 17.00 en 18.00 uur was het tijd voor de bittertafel, waar notabelen samenkwamen na het werk. In het café stond een piano en ’s avonds werd er gebiljart. Achterin was nog een grote vergaderruimte. Er was een ober in dienst voor het café en een dienstmeisje om te helpen in het grote gezin. De kinderen kwamen nooit in het café, alleen als er geen klanten waren mochten ze zich in de wintertijd warmen aan de grote Duitse geëmailleerde kachel. Ton vertelt vergenoegd over het Aga fornuis, dat in de keuken stond.” Dat brandde altijd, het was er altijd gezellig. Er was altijd wel iemand waar je mee kon kletsen. Als je weer eens verregend thuis kwam kon je daar je voeten voor de kookoven op laten drogen, met een kopje thee erbij”.

De bezetting
In de oorlog vorderden de Duitsers het café als een ontmoetingsplaats. Omdat vader Jacobs weigerde voor de Duitsers te werken, nam de ober het werk waar. Vader bleef achter in de keuken om een oogje in het zeil te houden en moeder plantte als stil protest overal oranje bloemen als afrikaantjes en goudsbloemen. Eens vormden de familie en de buurtbewoners samen een ketting om voor de Duitsers kistjes met grote Liga-achtige biscuits door te geven en achterin het café op te slaan, waarbij ze zich steeds met opzet vergisten met tellen waardoor diverse kistjes achter de schutting richting Acaciastraat konden verdwijnen.
Ton heeft meer persoonlijke herinneringen aan de Amerikanen, Engelsen en Canadezen. Met een van hen heeft hij vrij onlangs nog contact gekregen. Hij herinnert zich nog levendig hoe hij in de kruipruimte onder de cafévloer door de ventilatiespleetjes in de muur de Amerikaanse soldaten langs zag trekken met hun jumpboots en korte karabijntjes. Later volgden de Canadezen en de Engelsen. In die tijd werd het café een ‘restcenter’ voor de geallieerde soldaten, die twee weken aan het front waren geweest en in Mater Dei konden bijkomen. In de grote achterzaal van het café werden films vertoond en soms was er zelfs bier, dat ze soms zelf meebrachten uit Duitsland. “Die jongens zaten goed in de spullen, sigaretten, snoep”. Ton hing als jonge jongen altijd rond bij de militairen en heeft in die tijd ook Engels leren spreken. Dat kwam later nog goed van pas in de tijd dat Nijmegen frontstad was. Ze waren toen geëvacueerd naar Wijchen. Ton kon vertalen voor de Engelsen en hield daar allerlei ‘life savers’ (rolletje zuurtjes) aan over, die borg hij op in de pijpen van zijn ‘drollenvanger’ (plusfours) die de kleermaken van de overkant nog voor hem gemaakt had uit een legerjas.Gevaarlijk spel
Kind zijn in oorlogstijd heeft zo zijn eigen charmes. Iet en Ton zijn even oud en bevestigen dat oorlog voor hen de ‘normale’ situatie was. Ze kenden het begrip ‘vrede’ niet. Ondanks dat de mensen veel zorgen hadden, en er ook dramatische dingen gebeurden, was de saamhorigheid groot en ook het plezier was groter als je eens iets had. Ook na de oorlog was dat nog zo. Met een reep chocola kon je een hele dag doen. Eerst een klein stukje, dan weer dichtvouwen. Dan weer eens een stukje”. Zoals de kinderen toen buiten konden spelen op straat; er was geen verkeer, ze konden zelfstandig de bossen in, en speelden met zelfgemaakt speelgoed en lieten vliegers op in het parkje voor Mater Dei. Ze beseften niet altijd het gevaar , al hadden ze wel geleerd op het geluid van de V1 en V2 – overvliegende Duitse raketten, te letten: “als het fluitende geluid stopte, was het inpakken en wegwezen. Als het doorging, kwam je er mee weg”. Verschillende buurtgenoten zijn gedood of gewond geraakt. Meerdere keren werd Ton beschermd door militairen, “die kerels gingen zo over je heen liggen”.
Op een keer werd hij bij zo’n granaatbeschieting door een Engelsman bij Mater Dei opgepakt en pardoes over een muurtje gegooid, waar hij pijnlijk terecht kwam in de rododendrons. “Maar 80 meter verderop viel een granaat en kwamen drie mensen om, waaronder de melkboer met zijn hondenkar. Daar was helemaal niets meer van over”.
In het deel van Oost dat in 1944 was verbrand en in puin lag rond de Pater Brugmanstraat was een opslagplaats van overtollig legermateriaal. “Dik in de hekken natuurlijk. En dat was een uitdaging voor jonge jongens, natuurlijk. Er lagen explosieven, kogels, patronen van afweergeschut. Daar haalden we dan een van de kruitstaven uit, de hals knepen we dicht en die legden we dan op de tramrails. Dan staken we die aan en het werd dan een soort raket, die schóót weg! Maar het is altijd goed gegaan, gelukkig”.

Het bombardement
Ton vertelt over het vergissingsbombardement . Hij weet nog precies dat hij op dat moment thuis op de aanrecht zat en enorme rookwolken kon zien opstijgen. Op straat hoorde hij de gesprekken, waar hij als kind weinig van begreep. Zijn oudere zus ontsnapte ternauwernood aan de bommen, ze zat in de tram vóór degene die vol werd geraakt. Samen met vader is hij de stad in getrokken om de schade in de binnenstad te bekijken.”Het was een echte ramp, 900 doden en heel veel gewonden. Maar de periode erna was ook erg. In de tijd dat Nijmegen frontstad was en zeven maanden lang vanuit Duitsland werd beschoten met granaten vielen ook heel veel doden, iets van 700 of 800” [Het kanon dat Nijmegen in die tijd beschoot is te zien in het bevrijdingsmuseum te Groesbeek. (aanvulling Hans Jansen redacteur)]

Na de oorlog
Zijn middelbare schooljaren bracht Ton door in Zuid-Limburg. Aanvankelijk zou hij in 1949 naar het Canisiuscollege gaan, maar toen zijn moeder totaal onverwacht overleed, liep het toelatingsexamen niet goed af. De jezuïeten waren onverbiddelijk, vader bleef met 6 kinderen achter, en zo werd besloten dat Ton tot 1953 naar de broeders in het diepe zuiden zou gaan.

Slijterij Jacobs
In die periode besloot vader Jacobs het café van de hand te doen en een slijterij te beginnen in de van Heutszstraat. Die straat was deels gebombardeerd en er werden nieuwe huizen en winkels gebouwd. In 1951 betrokken ze het huis en de winkel, vader was inmiddels hertrouwd met de beste vriendin van moeder, en toen Ton in 1953 van school kwam was het vanzelfsprekend dat hij mee ging werken met vader. Hij haalde de benodigde vakdiploma’s, leerde Iet kennen, die als Zaandamse een opleiding tot diëtiste volgde in Nijmegen, en trouwde met haar in 1963. Ook zij haalde haar vakdiploma’s, werd examinator van het slijters vakexamen en wijnambassadrice. Zij kon mensen goed adviseren over de combinatie van wijn en voeding. Het duurde nog tot 1970 voordat zij de winkel konden overnemen en eigen baas werden. “Wij waren eigenlijk in loondienst bij vader. En hij was echt wel de baas. Hij kon vragen: ‘Waar was je gisterenavond?’ ‘ Nou gewoon even bij vriend Theo, hoezo?’”Je moet thuis zijn want er kan wel een klant bellen’, zo ging dat toen. Op de klanten moest je zuinig zijn in 1970”. Zij hebben altijd met veel plezier en succes de slijterij gedreven, ze hebben het nodige verbouwd aan het pand en de gevel om die sfeer te creëren zoals zij het zelf wilden hebben. En ze besteedden altijd veel zorg aan de etalage.
In de nabijheid waren diverse winkels. Op de hoek: Jos van Dijk de groenteman, de drogist, een kapper, twee slagerijen, het postkantoortje annex confectiewinkel, een bakkerij, de Kaaskar, een schoenmaker en de fietsenmaker. Als je boodschappen ging doen kwam je elkaar tegen in de buurt, dan kon je even bijkletsen. Dat gaf levendigheid aan de buurt.



Veranderende tijden
Maar het klimaat veranderde. De komst van de grootwinkelbedrijven gaf niet alleen het imago van goedkoopte en gemak, maar bracht ook een verarming mee in het verloren gaan van vakkennis . Daar kom je niet om bij Albert Heijn, hoewel AH de wijn wel populair heeft gemaakt. Echte slijters zijn er bijna niet meer, zeker nu slijter Hoogma op de Daalseweg er ook mee is gestopt. Ton en Iet hebben geen opvolgers maar ze zouden dat ook niet hebben willen adviseren, er is geen droge boterham meer mee te verdienen. Dat is een van de redenen waarom de winkeltjes uit Oost zijn verdwenen. Een andere redenen dat “het er niet lolliger op werd”, was dat Iet zich niet meer veilig voelde als ze alleen in de zaak stond terwijl Ton bestellingen wegbracht. Ton laat een foto zien van een vernielde etalage, en Iet vertelt twee voorvallen die dat onveilige gevoel illustreren: een poging tot diefstal van een hele dure fles port en een poging tot oplichting door fakebestelling voor een groot bedrijf. “We werden geobserveerd, ze wisten gewoon dat ik er alleen stond”.
Dat geheel, de winkels die langzaam verdwenen door het veranderende koop- en werkpatroon, de steeds hogere eisen van de verzekering voor de beveiliging, de komst van verkeersdrempels; kortom de andere tijden: “je houdt dat toch niet tegen”, zorgde ervoor dat ze besloten er in 1994, mee te stoppen. Ze waren toen beiden 58 jaar en hadden nog meer plannen. Als enthousiaste zeilers gingen ze 6 jaar lang elk voorjaar en zomer varen op de Middellandse Zee, terwijl ze intussen hun gemeubileerde woning verhuurden.Nijmegen Oost
Ton toont een foto van het achteruitzicht op de Bachstraat. Daar was vroeger een ‘buurtje’ van noodwoningen, nog uit W.O. I., kleine huisjes en een heel gangenstelsel erachter. Daar woonde zogenaamd “bepaald publiek”: heel gewone, ontzettend aardige, en hard werkende mensen. Als er dan eens (communie)feest werd gevierd dan gingen ze ’s avonds om een uur of 9 in polonaise door die gangetjes heen. Dan was het: “Baas! Baas, het bier is op. Magge we nog wat?” ”Ja hoor, dat mag”. Daar mankeerde helemaal niets aan, want ze kwamen elke zaterdag een rijksdaalder brengen totdat het bedrag betaald was. Dan bestelden ze weer wat, maar voor die tijd niet.
Ton: “Nijmegen Oost is een van de wijken in Nijmegen die nog authentiek is, behalve dat de winkeltjes weg zijn is het een mengeling van soorten mensen, van soorten woningen. De straten van vroeger zijn er nog. We lopen door de wijk en wijzen elkaar aan welke winkels er vroeger waren. Elke straat is anders, er zijn mooie grote woningen, maar ook wijkjes met kleine huisjes, die momenteel mooi opgeknapt worden door jonge mensen. Maar het geheel heeft toch niet meer die levendigheid van vroeger.” Vroeger was ook het bos dichterbij. Boven aan de Broerdijk kon je zo doorkijken naar Hoogte 80. Dat is nu allemaal bebouwd.
Ton heeft zijn hele leven doorgebracht in Oost en al pratend realiseren beiden zich dat dit toch de mooiste plek is van Nijmegen. Alles is bij de hand , alles is bereikbaar.
Er wonen veel oude kennissen Bij manifestaties in de buurt, Oost ontmoet Oost bijvoorbeeld, komen ze altijd bekenden tegen. “Ja, Oost doet ons meer dan we dachten”.
Ton is actief in de Vereniging van Eigenaren van het complex waar ze wonen, ze voelen zich erg thuis op deze plaats. Iet zegt: “Hier is een wereld voor me open gegaan, vooral wat betreft de wolkenluchten. Dat is zoiets unieks, dat heb je niet in een straat”.Het echtpaar Jacobs is geïnterviewd op 12 april 2013 door Ellen Hijmans