Wie vanaf de Ubbergseveldweg het open gebied van de Kopse Hof opgaat, ziet links in het veld voor de basisschool de Klokkenberg enkele asfaltwegen lopen. Zij zijn de enige tastbare herinnering aan het voormalig complex noodwoningen dat daar tussen 1946 en 1967 heeft gestaan. Over deze noodwoningen gaat dit artikel.

De schade die Nijmegen door het bombardement van 22 februari 1944 en daarna als frontstad opliep, was enorm. Van de nog geen 20.000 woningen die de stad telde, waren meer dan 4000 woningen verwoest of zwaar beschadigd. Vele duizenden gezinnen hadden zodoende geen huis meer. Om hen te hulp te schieten vorderde de gemeente vanaf maart 1944 woonruimte. Eerst leegkomende huurwoningen. Toen dat te weinig soelaas bood werden oudere alleenstaanden, meestal weduwen of weduwnaars, verplicht bij hun kinderen in te trekken. Maar een oplossing boden deze maatregelen niet, te meer omdat veel pas getrouwde of verloofde stellen naar zelfstandige woonruimte smachtten. Er was eenvoudig te weinig woonruimte, wat naargeestige toestanden opleverde, zoals het jong gezin A. met twee peuters dat op een onverwarmd kamertje bij opa en oma aan de Esdoornstraat inwoonde. Gezin B. woonde een jaar na de bevrijding nog steeds in een door de Duitsers gebouwde bunker op de Sint Annastichting die in de bevrijdingsdagen als schuilkelder had dienst gedaan. Gezin C. was ingetrokken bij de moeder van de echtgenoot aan de Sweelinckstraat. In dat huisje leefden maar liefst vijftien personen als haringen in een ton.

semi-permanent

Deze mensen hadden geluk, want in de lente van 1946 mochten zij een net opgeleverde noodwoning op de Kopse Hof betrekken. Om de woningnood te verlichten had de gemeente Nijmegen haar toevlucht genomen tot een na de oorlog veel beproefd middel, de semi-permanente bouw. Gemeenten, maar ook ziekenhuizen en scholen zetten barakken, vaak van Zweedse makelij, neer. Bedoeld voor een korte periode bleven ze vaak decennia in gebruik.

Ook de gemeente Nijmegen liet verspreid over de stad honderden noodwoningen bouwen. Grote complexen lagen aan de Driehuizerweg (204 woningen), Hatertseweg (68), Muntweg (48) en op de Kopse Hof (100). De huisjes lagen aan de Ubbergseveldweg en aan vier nieuwe straatjes die vanwege het vroegere legerkamp naar figuren uit de Romeinse tijd werden genoemd. Het waren van west naar oost de Cerialisstraat, de Claudius Civilisstraat (de bewoners hadden het over de Claudius op Wieletjesstraat), de Trajanusstraat en de Drususstraat (in de wandeling Drusenstraat geheten). De straatjes waren aan beiden zijden bebouwd, behalve de Drususstraat, waar de bewoners vrij uitzicht hadden.

De eerste noodwoningen waren in mei, de laatste in augustus 1946 klaar. Het wijkje was eigendom van de gemeente, maar de woningbouwvereniging De Gezonde Woning die in de naburige wijk het Rode Dorp bezat, ging het exploiteren. De noodwoningen behoorden niet tot het Zweedse of een ander type dat zijn bestaansrecht had bewezen, maar waren vermoedelijk omwille van de kosten van een eigen gemeentelijk ontwerp. Ze werden in twee weken neergezet, maar de kwaliteit was ernaar. Het was er vochtig, de deuren sloten slecht en de lichtschakelaars waren ‘zeer primitief aangebracht’. Sanitair en hang- en sluitwerk waren van inferieur materiaal. De zinken kranen waren binnen een half jaar al zo aangetast ‘dat ze bij de eerste aanraking zouden afbreken’. Daarom werden ze vervangen door koperen exemplaren, want anders was ‘de ellende in de winter niet te overzien’ geweest.

Heel tevreden

Toch hadden de woningen veel pluspunten. Mevrouw S. die rond 1950 in de Drususstraat woonde, vond het ‘prachtige jaren’. Ze beschrijft haar één verdieping hoge huis als volgt. De voordeur had geen bel, maar een klopper. Je kwam dan via een piepklein halletje in een behoorlijke huiskamer van vier bij vier meter, waarop drie slaapkamers uitkwamen. Verder had het huis een keuken en een bijkeuken met daarachter een kolenhok. Voor en achter een tuin. En, in tegenstelling tot de andere noodwoningcomplexen, waren de huizen een schuurtje rijk.

Mevrouw S. was er ‘heel tevreden’ over. ‘Mijn man die schilder was, had het mooi wit geverfd. Als we dan van de Sint Maartenskliniek aan kwamen wandelen, schitterde het in de zon. De andere huizen waren grijsachtig, al was die kleur ook als wit bedoeld’. Ook voor de kinderen vond ze de omgeving ideaal, omdat er zoveel speelgelegenheid was.

Het was er overigens niet ongevaarlijk, want overal lag nog munitie van het geschut dat tijdens de oorlog op de Kopse Hof had gestaan. Gelegenheid genoeg voor riskante spelletjes. Jongens maakten oude granaten onschadelijk, bliezen ‘lege benzineblikken, waarin altijd gas achterbleef’, op of legden een kruitspoor om iets in de brand te steken. Een nu 62-jarige man vertelt: ‘Ik vond op de Ubbergseveldweg kisten met mitrailleurkogels. Om de tien zaten lichtspoorkogels, die we met de katapult afschoten.’


Gemengde bevolking

De noodwoningen waren in principe bestemd voor huishoudens die geen alternatief hadden. Ze woonden in, kwamen van buiten de stad of hadden hun woning verloren. Op de Kopse Hof sprongen drie categorieën eruit. De oorspronkelijke groep bewoners bevatte gezinnen die in de oorlog hun huis waren kwijtgeraakt. In 1948 arriveerden voormalige NSB’-ers en oostfrontstrijders, die een paar jaar gevangen gezeten hadden. Vanaf 1957 werd de wijk ingezet om bewoners van de Benedenstad op te vangen die door krotopruiming moesten vertrekken.

Aanvankelijk was de bevolking in sociaal opzicht gemengd. Bij mevrouw S. in de straat woonden een timmerman, iemand die op kantoor werkte, een tuinman van de gemeente en een dokter. ‘Er woonden geen arme mensen en alleman werkte.’ Toch gold dit niet voor iedereen. Het gezin M. (vrouw, man en zes kinderen) dat uit Nederlands Indië was gerepatrieerd, had alles verloren. De heer M. verzocht de gemeente om vier eenpersoonsbedden en voegde er aan toe dat hij ‘van andere zijde reeds matrassen ontvangen’ had. Ook onder degenen die fout waren geweest in de oorlog zaten gegoede families. Zij slaagden er binnen een paar jaar in betere woonruimte te vinden, maar anderen waren minder gelukkig. Zoals het gezin S. met vier kinderen dat in de Cerialisstraat woonde. De vrouw was zenuwpatiënt en de man was chauffeur van beroep, maar door ‘de partijkwestie’ had hij in 1957 nog steeds geen vast werk en evenmin een beter huis.

Schoenmaker W., twee huizen verder, had in Westerbork gezeten (‘politiek!’). ‘De vrouw heeft alles opgebouwd.’ De heer L. woonde als kind op de Ubbergseveldweg naast de tuchtschool. ‘Omdat de muur achter ons huis niet zo hoog was, ontsnapte daar wel eens iemand. Ik heb meegemaakt dat zo’n jongen onder het avondeten door de achterdeur binnenkwam en voor weer naar buiten rende. Onderaan de heuvel werd hij opgepakt, want er was natuurlijk meteen alarm geslagen.’

Overloop Benedenstad

Deze typeringen komen uit uiterst beknopte rapporten die de Woningvereniging Nijmegen (WVN) in 1957 van 34 gezinnen maakte. De reden was dat de WVN dat jaar het beheer over de Kopse Hof van De Gezonde Woning overnam. WVN, destijds verreweg de grootste woningcorporatie van de stad, vervulde de functie die elders aan gemeentelijke woningbedrijven toeviel. Zo had ze de plicht moeilijk plaatsbare huishoudens op te vangen. WVN beheerde zodoende ook de complexen noodwoningen in de stad, met uitzondering van de Kopse Hof. Het gemeentelijk krotopruimingsbeleid bracht hier in 1957 verandering.

Om de al jaren durende sloop van (vervallen woningen) in de Benedenstad te versnellen, besloot het gemeentebestuur om alternatieve huisvesting op de Kopse Hof te creëren. De zittende bewoners moesten daartoe plaats maken. Op dit punt kwam de WVN in beeld. In tegenstelling tot De Gezonde Woning die slechts een paar wijken in Nijmegen-Oost beheerde, beschikte WVN over een omvangrijk en gevarieerd woningbezit. Hiernaar konden de in aanmerking komende Kopse Hoffers doorstromen.

Personeel van WVN maakte de selectie. Twee derde viel blijkbaar ‘a prima vista’ af. De overigen werden aan een nader onderzoek onderworpen. Samenstellingvan het huishouden, beroep van de kostwinner en eventueel meewerkende kinderen vormden de basisgegevens. Dan volgden de indruk die het gezin gaf, de wijze van bewoning en tot slot het advies. Enkele voorbeelden.

  • Gezin R. man bedrijfsleider, verdient ƒ 190,- per week; 3 jongens en 1 meisje, dat ƒ 140 per week verdient; keurige indruk en goede bewoning, geschikt voor nieuwbouw.
  • Gezin V. sinds 1946 Kopse Hof, geen beroep, want ‘man heeft vrouw vorig jaar verlaten’; 6 kinderen; matige indruk; slechte bewoning; ongeschikt voor nieuwbouw.
  • Gezin S. sinds 1947 Kopse Hof; 8 kinderen van 22, tot 1 jaar; man werkt bij Robinson; hij + werkende kinderen verdienen samen ƒ 140,- per week, goed arbeidersgezin; bewoning matig; niet geschikt voor nieuwbouw.

probleemgezinnen

Het vertrek van deze geselecteerden betekende in sociaal opzicht een verschraling voor de wijk. Degenen die niet ‘goed’ genoeg waren om naar een ‘permanente wijk’ te verhuizen, bleven achter, terwijl ook de nieuwkomers als zwak sociaal werden bestempeld. De beste indicatie hiervoor is het feit dat de paters Kapucijnen in 1952 aan het Wilgplein een Don Boscohuis voor de Kopse Hof oprichtten. Deze clubhuizen – Nijmegen telde er acht, waaronder vier bij buurten met noodwoningen – waren bedoeld voor jongens en meisjes uit achterstandswijken.

Mevrouw Van Megen die tussen 1956 en 1961 als beroepskracht in het Don Boscohuis werkte, schetst een overeenkomstig beeld. De meeste gezinnen waren groot: minstens vier of vijf kinderen, maar elf kwam ook voor. Het gros van de mannen werkte in ‘eenvoudige beroepen’ als los arbeider of grondwerker, anderen haalde lompen of oud ijzer op, deden sloopwerk of werkten zwart in Duitsland. Er bestond voor die tijd veel werkeloosheid. Volgens haar hadden de mannen weinig kans op de arbeidsmarkt. ‘Omdat veel werkgevers alleen al voor de naam Kopse Hof terugschrokken, moest ik als maatschappelijk werkster veel moeite doen om hen ergens te plaatsen. In Nijmegen waren toen nog veel kleine bedrijven, zoals schoen- en lampenfabrieken. Om iemand een baan te bezorgen zei ik dan tegen een directeur: “Doe het dan niet voor hen, maar voor mij. Probeer het eens!”

Er was dan ook veel armoede. Enkele gezinnen hadden het zo krap dat hun kinderen op blote voeten liepen. Sommige kinderen hadden het nooit zo goed als op kamp – georganiseerd door het clubhuis – , vertelde een vroegere bewoner: ‘We konden zoveel eten als we wilden en er was altijd iets op de boterham’. Mevrouw Van Megen bemiddelde niet alleen bij de werkgevers, maar ook bij de sociale dienst of de kinderbescherming. ‘Als er ruzies waren, liet ik de mensen naar het clubhuis komen zodat ze het konden uitpraten. [ ] Wanneer kinderen werden uitgezonden naar een vakantiekolonie, dan zorgde ik ervoor dat ze wat geld hadden en voldoende kleren. Ook hielp ik mensen met hoge schulden te budgetteren ect’.

Wijkleidster mevrouw Van Megen was zowel maatschappelijk werkster, crècheleidster als opbouwwerkster avant la lettre. Een anekdote die ze vertelde geeft een indruk van het laatste. Omdat ze weken van tachtig tot honderd uur maakte en altijd voor hen klaar stond, gaf dat veel bewoners een veilig gevoel.

‘Toen ik een keer door de straatjes fietste riep een moeder:
* Ben je er morgen?
* Ja, maar waarom wil je dat weten?
* Och niks, als je er maar bent. Dan is het goed.’

Sloop Kopse Hof

De noodwoningen die voor hoogstens tien jaar waren bedoeld, bleven gewoon staan. Reden was de woningnood. Maar nadat ze de maximale levensduur hadden overschreden, begonnen ze steeds meer gebreken te vertonen. Zoals rot houtwerk, lekkende gasleidingen, gammele buitendeuren en verzakkende plafonds. In 1961 concludeerde de gemeente dat de huisjes rijp voor de sloop waren. Maar omdat het moeilijk was de bewoners elders te huisvesten duurde de afbraak meer dan vijf jaar. Van maart 1962 tot juli 1967. Telkens als een gezin vertrok werd het huis gesloopt. Het resultaat laat zich raden. In de wijk vielen steeds meer gaten en wie het huis van de buren kwijt raakte, kreeg een buitenmuur erbij. Omdat de scheidingswand tussen de huizen daarop niet was berekend, kreeg het vocht vrij spel.

De Gelderlander schrijft zomer 1964 over de ‘beroerde situatie’ waarin de achterblijvers verkeren. Bij het gezin E. zit ‘na de stortbuien van de afgelopen weken de schimmel in de slaapkamers’. En verder is het ook een en al ellende. ‘De ratten hebben vrij toegang, want de ramen sluiten niet en de buitendeuren zijn kromgetrokken’. Elders heerst ‘doorlopend ziekte (want) het toilet kan niet worden doorgetrokken. Ik moet van tijd tot tijd zelf de zaak leegscheppen,’ zo vertelt de vrouw des huizes.

De narigheid loopt zo hoog op dat de bewoners actie gaan voeren, iets wat toen zelfs studenten nog nauwelijks deden. De Kopse Hoffers klagen bij de gemeenteraad en kalken de huisjes vol met leuzen als ‘Villa Valinmekaar’ en ‘Terug naar de holbewoners’. De actie heeft in zoverre succes dat de afbraak versneld wordt, maar iemand is altijd de laatste. Tenslotte wonen ‘de eenzamen’ op de Kopse Hof’ in krotten in een afbraakbuurt tussen ruïnes waar het gevaarlijk is voor de kinderen is.

In 1967 ging het laatste huisje tegen de vlakte. Voormalige bewoners kijken nog steeds met weemoed terug naar de tijd dat ze op de Kopse Hof woonden. Er heerste veel armoede, maar het saamhorigheidsgevoel was volgens hen veel groter.

Rob Wolf
Bronvermelding: Nijmeegs Katern, februari 1998
Bewerking: Anton van der Meer

 

Terug naar Bijzondere Gebouwen.